Van de allerlaatste handeling die zij voor de overledene had verricht, was de voltallige gemeenschap getuige geweest. Voor de doodgraver de kist van de Baron sloot, legde ze het dierbaarste wat ze bezat als een grafgift op de borst van haar overleden vader: de vergulde broche die rijkelijk met edelstenen was bezet. Terwijl iedereen reikhalzend toekeek, had Harold Straker zich voorgenomen op z'n minst één poging te wagen dat kostbare kleinood te bemachtigen!
Door M.P.O. Books
Iedereen kende hem. In de wijde omtrek had zijn slechte reputatie tot gevolg gehad dat niemand hem in dienst wilde hebben. Iedereen in het Dorp wist dat hij zijn geld op slinkse wijze 'verdiende' hoewel hij nooit was betrapt. Wat er over hem gezegd werd, liet hem onverschillig.
Deze wintermiddag was hij op de begrafenis geweest. Wie eigenlijk niet? Elk lid van die kleine gemeenschap was uitgelopen om de voornaamste persoon in hun midden de laatste eer te bewijzen. De Baron was een oud en gerespecteerd man geweest, geliefd om zijn contributie aan het gemeenschapsleven in het Dorp.
Voor Straker maakte dat geen verschil.
In striemende regen had de begrafenisstoet de loden kist van kerk tot aan Tombe begeleidt. Het marmeren bouwwerk was geïnspireerd door de Griekse tempels. Onder het door pilaren gedragen dak bevond zich de loodzware marmeren afdekplaat waaronder de grafkelder zat. Ondanks het klassieke voorkomen, was het graf met de modernste elektronica uitgerust. Dat was gebleken bij het openen van de kelder.
Op zijn tenen had Straker gezien hoe de kelder beveiligd was. Terwijl hij bedacht wat zijn kansen waren, had hij gezien dat er een luikje achter één van de Dorische zuilen verborgen zat. In dit luikje zat een klein sleufje. Daarin paste een sleutel. Deze sleutel had de dochter van de Baron vast. Het was beslist geen eenvoudig slot, had hij gezien. Maar het moest hem geen problemen opleveren. Hij, de gevreesde slotenkraker van het Dorp! Zijn vaardigheden openden elk slot.
Nadat de Freule de sleutel omgedraaid had, leek het alsof een kluisdeur in de zuil open sprong. Daarachter was een bedieningspaneel. Uit veiligheidsoverwegingen was de familie in bezit van de sleutel, terwijl notaris Henry Armitage (tevens de executeur-testamentair) de essentiële pincode bewaarde.
Maar het was mis gegaan!
Per abuis had zijn klerk de verkeerde code getoetst waarop een loeiend alarm alle aanwezigen deed opschrikken. Wat een oorverdovend kabaal! Er kon geen enkele twijfel bij de aanwezigen bestaan dat de Tombe goed beveiligd was. Dit getetter moest in het hele Dorp te horen zijn, en ver daarbuiten! Ook Straker had zich dit geschrokken gerealiseerd. Het vormde een reusachtig obstakel in zijn plannen! Hoe kon hij die vervloekte code omzeilen?
De notaris was de rood aangelopen klerk te hulp geschoten. Met gestamelde verontschuldigingen naar de familie had hij alsnog de juiste code getoetst waardoor én het alarm ophield, én het graf zich ontsloot. De marmeren plaat gleed soepel van de opening alsof het een wegdrijvende ijsschots was.
Henry Armitage was als eerste de trap afgegaan. Men had hem een lucifer horen afstrijken. Vervolgens was zijn sidderende schaduw op de marmeren muren waargenomen. Een kandelaar was ontstoken. Daarna hadden de dragers de loden kist naar zijn laatste rustplaats gebracht en was (nadat iedereen naar buiten gekomen was) het graf hermetisch gesloten. Het laatste wat Straker zich herinnerde, was het vlakkerende schijnsel van de vlam beneden tot de marmeren plaat het aan het zicht onttrok. Nu was hij op het kerkhof terug. De rouwenden waren allang naar het Dorp teruggekeerd waar de kerkklok op dit moment negen maal sloeg. Ook de regen was voorbij. Duisternis en stilte hadden van de gewijde grond bezit genomen.
Terwijl hij met de tas vol gereedschap langs de rij zerken naar de Tombe liep, vroeg hij zich grimmig af hoe hij de code ooit kon kraken om het graf te schennen. Wat was het alternatief? Die marmeren plaat kon hij nooit breken! Daarvoor had hij de middelen niet. Hoogstwaarschijnlijk ging dan ook een alarm af. Tegelijkertijd dacht Straker aan de prijs die hem beneden wachtte. Jaren geleden had de Baron die broche aan zijn dochter geschonken. Tot zijn dood had zij het juweel dagelijks gedragen. Het was een delicaat ontwerp van een befaamd edelsmid. Het was een fortuin waard.
Opeens scheurde het wolkendek waardoor de volle maan het terrein in een spookachtig licht deed baden. Hij zag de klerk! Deze zat op een bankje langs de weg naar de Stad, met de rug naar het kerkhof gekeerd. De man, Percy Jamesson geheten, kwam van buiten het Dorp. Hij wachtte op de bus naar huis. Op de grond lag zijn aktetas en naast hem op de bank zijn mobiele telefoon. De man scheen zich niet bewust te zijn van de glurende aanwezigheid van Straker.
dit was zijn kans!
Hij kon hem het mes op de keel zetten en de begeerde code opeisen! Straker hield niet van dergelijke praktijken. Onoverzichtelijke risico's! Hij was (met veel geluk!) nooit gepakt en dat wilde hij zo houden. Maar als hij die broche bemachtigd had, kon hij naar betere oorden verhuizen! Hij trok zijn mes.
Waarom was niet duidelijk, maar de klerk schoot overeind. Hij nam zijn tas en zette het op een lopen richting het Dorp. Had hij de dreiging van Straker gevoeld? Of was hij iets belangrijks vergeten?
Zijn mobieltje zeker!
Zonder te aarzelen rende Straker naar de bushalte en stak het mobieltje in zijn jaszak. Mooi meegenomen!
Hij was nauwelijks honderd meter verder toen het ding loeiend begon te piepen. Een ogenblik was hij in dubio of hij het telefoontje zou aannemen.
"Ja?" zei hij.
"Percy?" Straker meende de plechtige stem van de notaris te herkennen.
"Ja?"
"Met Henry."
Het wás Henry Armitage!
"Je gaat toch niet naar huis?" klonk het geprikkeld. "Ik heb namelijk nog een opdracht voor je. De familie heeft mij gevraagd of de kandelaar uit de Tombe weggehaald kan worden. Er is helemaal geen gevaar voor brand, maar de familie is er niet gerust op. Kun jij even kijken? De sleutel kun je bij de Freule halen."
De sleutel had hij helemaal niet nodig!
DE CODE!
De notaris herinnerde zich het geklungel van zijn klerk natuurlijk want hij gaf het hem grif! Straker kon van deze informatie handig gebruik maken.
Opgewonden rende hij terug naar de Tombe. Met zijn hulpmiddelen wist hij in een mum van tijd het luikje open te krijgen. Sporen van braak waren niet zichtbaar. Nu de code! Hij voelde de spanning in zijn lichaam opbouwen. Hij moest klaar zijn voor de klerk het mobieltje miste en op onderzoek ging. Snel! Met trillende vingers toetste hij de code. Wat was het laatste cijfer ook al weer?
Nu kon het misgaan!
Hij begon ernstig te twijfelen. Was het laatste cijfer een zeven of een negen? Wat had Armitage gezegd? Had hij de code maar opgeschreven in plaats van zijn kalmte te verliezen en als een gek naar de Tombe te hollen! De euforie van zonet deed hem de das om.
Het koude angstzweet bekroop hem. Als hij de broche wilde hebben, móest hij een keuze maken. Zeven of negen? Straker gokte zeven toen hij herinnerde dat het negen moest zijn.
Maar hij was te laat!
De marmeren plaat schoof weg. Toch de juiste code!
Hij kon het uitschreeuwen van blijdschap. Gauw legde hij het mobieltje en gereedschap (uitgezonderd breekijzer) op de marmeren vloer bij de pilaar. Tegelijkertijd kwam een tweede persoon het kerkhof op. Onbewust van dit gevaar daalde Straker in het zwarte gat af. Zijn schoenzolen tikten zachtjes op de marmeren traptreden.
De muffe lucht deed hem onmiddellijk naar adem happen. Doordat hij geen zaklamp bij zich had, maakte hij gebruik van zijn aansteker. Bij dat licht zag hij de kandelaar op een soort altaar staan. De kaars was niet half opgebrand. Het moest uitgegaan zijn door gebrek aan zuurstof. Blijkbaar sloot de marmeren plaat het graf luchtdicht af. Even ging er een huivering over zijn rug. Maar niet vanwege de kou of de moeilijkheid van de klus. Het was geen pretje in deze benauwde ruimte onder de grond te zijn.
De gedachte dat hij hier opgesloten zou raken en dan stikken, schudde hij van zich af. Onmiddellijk ontstak Straker de kandelaar weer. In het schijnsel zag hij achter het altaar een lange, smalle ruimte zich in het verlengde van de trap uitstrekken. Hier was de kist, opgeborgen in een marmeren sarcofaag die op een massieve baar stond. Er waren meer sarcofagen in deze necropolis. In één daarvan rustte de kist van de Barones. De overige sarcofagen wachtten nog op bezetting.
Hij begon met het breekijzer aan de loden kist te wrikken. Het deksel zat er nog stevig op ook! Omdat de temperatuur in de ondergrondse ruimte hoger was dan buiten, begon hij het snel warm te krijgen. Met het zweet op het voorhoofd en buiten adem deed hij zijn jas uit. Na nog meer wrikken, sprong het deksel eindelijk los. Hij greep de kandelaar om zich bij te lichten. Toen zag hij het lijk van de Baron. Er ging een siddering door hem heen voor hij de broche greep. Dat het deksel daarna met een harde klap terugviel, betekende voor Straker niets. Er was niemand die hem kon horen, meende hij. Eindelijk kon hij hier weg. Gauw!
In de winterkou gekomen merkte hij dat hij zijn jas vergeten was. Maar de schim die met een valse glimlach vanachter een grafzerk op hem loerde, ontging hem totaal. Anders had hij zich niet druk gemaakt om een jas. Hij legde broche en breekijzer neer, inhaleerde de frisse avondlucht en daalde voor de tweede maal de verstikkende diepte in. Hij greep zijn jas. Toen pas hoorde hij de zachte voetstappen, het naderende onheil. Van ontzetting verstijfde hij. Het mechanisme boven hem zette zich in werking...
De marmeren plaat schoof terug!
Op dat ogenblik liep de nieuwkomer met een triomfantelijk lachje over het graf. Hij liet het luikje in het slot vallen. Alsof het graf nooit geschonden was. Zonder de plaatselijke slotenkraker (die nu beneden in dodelijke wanhoop op het marmer beukte) had hij dit slot nooit open gekregen. De imitatie van de stem van Armitage had daarmee het beoogde resultaat gehad.
Met broche, gereedschap en zijn beide mobieltjes in de aktetas opgeborgen, kon de klerk nog net de laatste bus halen.
|