Leesfragment: De Romeinse lusthof van David Hewson

Nieuwsbericht
16/07/2010

Véronique Gillet lag naakt uitgestrekt als een schriel, bleek geraamte op een donkerroodfluwelen chaise longue die onder het schilderij geschoven was, dat een soortgelijke, al was het dan molligere, naakte gestalte leek uit te beelden.
Haar hoofd hing levenloos tegen het opgehoogde uiteinde van de sofa aan. Haar benen waren losjes om de romp van een staande man geslagen die een gekreukeld en bebloed hemd droeg en zich voor haar middel bevond, nog steeds vanuit de heupen naar voren bewegend met een wegebbende, afgemeten cadans die, zag Caviglia, bij het ritme van haar afnemende zuchten paste.
De man had een verdwaasde blik op zijn gezicht. De uitdrukking van een dier dat volledig op zijn prooi gefixeerd was, gedachteloos, met slechts één doel voor ogen.
Haar gezicht was naar hem en de deur toe gewend, waarschijnlijk zonder opzet, dacht Caviglia, en alleen omdat haar hoofd die kant op gevallen was. De ogen van Véronique Gillet hadden niet langer het levendige, aandachtige grijs van een exotische kat. Ze stonden doods en glazig. Haar helderrode haar plakte van het zweet dicht tegen haar schedel aan. Haar aanrander drukte een mes tegen haar keel, waar het een donkerrode streep had getrokken, lui en gebogen, van haar sleutelbeen naar de onderkant van haar hals.
Caviglia rende naar voren. Hij gilde, schreeuwde, krijste zo hard hij kon in de hoop dat iemand buiten op straat het zou horen en zou komen helpen. Maar hij was niet in staat zich te concentreren op het punt waar zijn aandacht had horen te liggen – op de man, het beest, de moordenaar – omdat zijn ogen, zijn geest zich niet los kon maken van de twee gloeiende brandpunten voor hem.
Hij struikelde ergens over, een blik verf misschien, en viel op de harde vloer, waarbij de zijkant van zijn schedel met een harde klap tegen de eeuwenoude tegels sloeg. De zoete geur van bederf leek overal te zijn, baande zich een weg omhoog in zijn neusgaten, en vulde zijn hoofd met allerlei onsamenhangende gedachten.
Op dergelijke momenten worden rare gedachten geboren. Hij herinnerde zich wat de vrouw in het café had gezegd over de kunstenaars die in deze buurt hadden gewoond. Een van hen was Caravaggio, die zo veel levendige verbeeldingen had geschilderd van leven en dood in Rome: de Heilige Petrus aan het kruis in Santa Maria del Popolo; David met het bungelende hoofd van Goliath in de Villa Borghese, waar Caviglia op hete zomerdagen toeristen naartoe stuurde die op zoek waren naar wat rust in de stad. En het martelaarschap van de Heilige Matteüs, in zijn eigen kerk, San Luigi dei Francesci, op nog geen vijf minuten lopen van waar hij nu lag te spartelen op een stoffige, met verfspatten bedekte vloer. Hij probeerde de nachtmerrie te begrijpen die uit het Romeinse riool was opgestegen om dit illustere feest van de Onbevlekte Ontvangenis te ontheiligen, een feest waarbij niemand ergens anders aandacht voor moest hebben dan het leven en de wereld, kinderen en de toekomst, de aanstaande verandering in het seizoen met de subtiele, eeuwige verschuiving van het donker naar het licht.
Hij knipperde met zijn ogen en toen hij ze weer opendeed bleef zijn blik ononderbroken op het schilderij gefixeerd. Hij kon nergens anders naar kijken. Wat hij zag deed de adem in zijn keel stokken. Op een of ander cryptische, onbegrijpelijke manier was dit precies de scène waar hij zojuist getuige van was geweest. De afgebeelde vrouw was naakt en werd omgeven door gestalten die zich zowel op liefdevolle als bedreigende manieren om haar bekommerden. Ze snakte naar adem tussen lippen door die vol, roze en vlezig waren en overstroomden van leven.
Het schilderij was van een beangstigende, dusdanig felle schoonheid, die je nooit meer kon vergeten als je die eenmaal had gezien.
In zijn blikveld doemde iets uit de werkelijkheid op. De gestalte, de minnaar of moordenaar – of beide – van Véronique Gillet, had zichzelf losgemaakt van haar lichaam. Hij stond nu over Aldo Caviglia heen gebogen. Het bloederige mes bevond zich in zijn hand, iets wat de oude, vernederde bakker ook zonder te kijken heel goed begreep.
Het had geen zin te vluchten voor het onvermijdelijke. Hij richtte zijn blik weer op het schilderij en verbaasde zich over de voluptueuze gestalte die daar met zo veel zorg, schoonheid en precisie geschilderd was dat het wel het werk van een meester moest zijn. Haar vlees leek te kloppen van warmte en bloed, leek zelfs op het punt te staan van een extatische openbaring, zo echt, zo gewelddadig, dat het laatste, kostbare restje leven erdoor weggenomen zou kunnen worden.
‘Doe het snel,’ mompelde Aldo Caviglia en hij kneep zijn ogen stevig dicht in weerwil van wat zijn instinct hem zei te doen in aanwezigheid van een dergelijke wonderbaarlijke wildheid. Hij wachtte en hield gespannen zijn laatste adem in.

Gianni Peroni paste niet in de verplichte overal. Hij slenterde in het witte plastic kledingstuk, dat ongeveer dezelfde kleur als zijn gezicht had en dat strak om zijn grote lijf spande, door de overbevolkte opslagruimte. Hij maakte een ietwat obscene indruk. Bovendien was hij boos én bereid om dit iedereen die zich in zijn onmiddellijke nabijheid waagde duidelijk te maken, inclusief inspecteur Leo Falcone.
Het was nu halverwege de middag, twee uur nadat de Questura een telefoontje had ontvangen over verdacht geschreeuw op het adres in de Vicolo del Divino Amore. Een routinebezoek van een agent in uniform was al snel uitgelopen op een compleet moordonderzoek, met Falcone als teamhoofd. Het was, dacht Nic Costa, een beetje als vroeger. Teresa Lupo en haar belangrijkste hulpje in het mortuarium, Silvio Di Capua, stonden peinzend over twee lijken gebogen, die allebei duidelijk het slachtoffer waren van een gewelddadige aanslag. Op de plaats delict waren rechercheurs bezig de ruimte uit te kammen. Het was de absolute nachtmerrie van elk forensisch team: felgekleurde verfspatten, overal bloed, stof en viezigheid, op de vloer, op de muren en op de smerige tafels en stoelen. Het deed erg aan een kunstenaarsatelier denken. Er stonden ezels en gebruikte potten met verf, sommige gewoon voor in huis, andere specifiek voor kunstenaars. Iets wat op een behoorlijk groot schilderij leek bevond zich ergens achter de twee, nu met wit krijt uitgelijnde lichamen op de vloer waar Teresa en haar team mee bezig waren. Costa wist dat hij ernaar moest kijken voor hij wegging, maar nu liet hij het maar even voor wat het was, verborgen onder een groenfluwelen doek die zo groot was dat hij zowel de voor- als de achterkant geheel bedekte en volledig aan het zicht onttrok.
Er waren echter dingen veranderd.
‘Sovrintendente.’

‘Wat zou jij in mijn plaats doen?’ vroeg Falcone, met van belangstelling glinsterende ogen. Zijn hand rustte tegen zijn kort geknipte, zilvergrijze baard.
‘De ruimte verzegelen en dat zo houden,’ zei Costa meteen.
Falcone knikte. ‘Waarom?’ vroeg hij.
‘Het gaat dagen duren voor het forensisch team deze plek fatsoenlijk heeft doorzocht. Het is een zootje. We moeten hulp inroepen van deskundigen van wie we niet eens weten dat die bestaan en dat betekent dat we ervoor moeten zorgen dat er niemand binnenkomt die hier niets te zoeken heeft. Bovendien...’
Hij wierp een blik op iedereen die zich in de beperkte en chaotische ruimte om hen heen verzameld had. Er waren dertien mensen, twee fotografen en drie burgers van de afdeling persvoorlichting, onder wie twee stagiaires, die het verhaal aan het voorbereiden waren dat uit zou gaan naar de kranten en televisie. Slechts zeven van de aanwezigen waren echte politieagenten. Dit leek de laatste tijd aan de orde van de dag. Het onderzoek werd erdoor vertroebeld, liep vast in procedures, en leek regelmatig eerder bepaald te worden door juristen dan door de behoefte aan een snel, duidelijk vergaren van feiten en vaststellen van schuld.
‘Volgens mij moeten we het aantal mensen hier zo laag mogelijk houden. Er is een hoop materiaal aanwezig. Ik weet dat iedereen voorzichtig is, maar toch...’
De inspecteur trok een gezicht. ‘We werken automatisch het lijstje af, sovrintendente. Het eerste wat we altijd doen is het handboek pakken om te zien wat dat zegt. U hebt gelijk...’
Zonder zich veel aan beleefdheid geleg
bron
Crimezone.nl