Sneak Preview: Aanval van Kathy & Brendan Reichs
Op 15 juni verschijnt bij uitgeverij Boekerij Aanval, het tweede deel in de Virus-serie van Kathy en haar zoon Brendan Reichs. Kathy Reichs werd wereldberoemd met haar debuut Bot voor bot en de succesvolle tv-serie Bones werd zelfs gebaseerd op haar boeken met Temperance Brennan in de hoofdrol (onder andere Fatale keuze). In 2010 verscheen het eerste deel in de YA-serie: Virus.
In het vervolg, Aanval, zijn Tory Brennan en haar vrienden nadat ze Cooper – een met een zeldzaam soort parvovirus besmette wolfshond – hebben gered, veranderd van gewone kinderen in een misdadenoplossende roedel. Maar nu zit het instituut dat hen bij elkaar heeft gebracht in de problemen. Het onderzoeksinstituut op Loggerhead Island heeft namelijk geen geld meer en zal moeten sluiten. Tenminste, als de Viralen geen manier kunnen bedenken om het te redden! Als Tory een oude legende hoort over een beroemde vrouwelijke piraat uit Charleston, Anne Bonny, wier fortuin nooit is gevonden, lijkt dat een ongelooflijk mooie kans: een begraven schat is precies wat ze nodig hebben om het instituut op Loggerhead uit de brand te helpen. Maar Tory en haar vrienden zijn niet de enigen die op zoek zijn naar de schat. En deze keer zijn de bijzondere krachten van de Viralen misschien niet genoeg om hen uit de problemen te helpen...
Crimezone YA kreeg het manuscript van Aanval en kan jullie alvast een hoofdstuk laten lezen! Lees snel verder…
KLIK.
Het was haast een elektrische schok, zoals wanneer je de spanningsrail
in een metrotunnel beetpakt.
Mijn bloed pompte door mijn lijf, gesmolten lood gierde door
mijn gloeiende aderen.
Pijn.
Desoriëntatie.
En toen kracht. Grenzeloze kracht. Díépe kracht.
Het zweet gutste uit al mijn poriën.
Mijn irissen vonkten, fonkelden goudkleurig, wist ik uit eerdere
ervaring. Gloeiende gele schijven rondom peilloos diepe, inktzwarte
pupillen. Mijn zicht kreeg een haarfijne laserscherpte. Mijn ogen
drongen als dolken door alles om me heen.
Mijn oren zoemden even, en werden toen supersonisch helder.
Witte ruis vulde mijn hoofd. Eén hartslag. De brij van geluid brak
op in een symfonie van afzonderlijke oceaangeluiden.
Mijn reukvermogen ontwaakte, griste patronen uit de zomerbries,
benoemde handig de kustgeuren. Zout. Zand. Zee. Mijn neus zeefde
de delicate nuances eruit.
Mijn armen en benen trilden, smeulend van opgesloten energie
die smachtte naar bevrijding. Onbewust ontblootte ik mijn tanden
in dierlijke verrukking.
Het gevoel was zo ongelooflijk, zo sterk, dat ik hijgde van opwinding.
Ik wilde eeuwig in dat moment blijven. Nooit ophouden.
Nooit terugkeren.
Ik flitste.
Naast me trok Ben een grimas, met zijn donkere ogen stijf dicht.
Zijn spieren waren gespannen en zijn sterke lichaam beefde terwijl
hij op pure wilskracht probeerde te flitsen. Het mislukte.
Zo werkt het niet.
Ik hield mijn mond. Wie was ik om advies te geven? Uiteindelijk
begreep ik onze krachten niet beter dan Ben. Ik had er niet veel meer
controle over dan hij.
Niet als ik eenmaal de wolf had bevrijd.
Je zult je wel afvragen waar ik het over heb. Of je hebt al besloten dat
ik gek ben en deinst langzaam achteruit van dit boek. Ik kan het je
niet kwalijk nemen. Een paar maanden geleden zou ik nog hetzelfde
hebben gedaan.
Maar dat was voordat ik veranderde. Voordat een microscopische
indringer mijn biologische software wijzigde. Voordat ik evolueerde,
méér werd. Iets heel nieuws. Iets primitiefs.
Ik zal het in het kort uitleggen.
Een maand of wat eerder waren mijn vrienden en ik besmet met
een akelig supervirus. Het was geen natuurlijk organisme. Het kwam
rechtstreeks uit een geheim laboratorium en was ontstaan uit een illegaal
experiment. En dat virus hield wel van menselijke gastlichamen.
Waar had ik die meevaller aan te danken?
Een gewetenloze wetenschapper, doctor Marcus Karsten, had het
virus in elkaar geknutseld. Hij was de baas van mijn vader bij het
Loggerhead Island Research Institute, ofwel liri. Om snel geld te
verdienen, kruiste Karsten twee typen parvovirus, waarbij hij per ongeluk
een nieuwe soort maakte die ook mensen kon besmetten. Helaas
werden wij vervolgens besmet door een wolfshond genaamd
Cooper, Karstens proefdier.
Breek me de bek niet open.
Maar goed, ik was dagenlang ziek. Wij allemaal. En toen werd het
raar.
Mijn hersens leken wel een elastiekje. Mijn zintuigen sloegen op
hol.
Af en toe verloor ik de controle en kon ik de plotselinge dierlijke
instincten die in me opkwamen niet onderdrukken. Dan at ik rauw
hamburgervlees. Loerde op een woestijnrat in een kooitje.
Bij de anderen gebeurde hetzelfde.
Toen het stof neerdaalde, waren mijn vrienden en ik voor altijd
veranderd, heel diep vanbinnen. De boosaardige ziekteverwekker
gooide de blauwdruk van onze cellen door elkaar en veranderde onze
genetische code. Honden-dna denderde door mijn menselijke chromosomen
en maakte het zich daar gemakkelijk.
Het valt niet mee om te leven met wolveninstincten diep in je
dubbele helix.
Maar onze aandoening heeft ook wel bepaalde... voordelen.
Ik zal het bot zeggen. Mijn vrienden en ik hebben bijzondere
krachten.
Bovenmenselijke vaardigheden. Verborgen, maar heel echt. Ja, je
leest het goed.
We zijn best bijzonder. Of dat zou zo zijn als we er iemand over
konden vertellen, wat niet kan. Behalve natuurlijk als we alles wilden
leren over de ontleding van een menselijk lichaam. Van heel dichtbij.
We noemen die kracht ‘flitsen’. Zo kan ik het gevoel ook het beste
omschrijven. Ik brand vanbinnen, mijn geest vervormt en geeft een
soort klik, en dan, boem! Mijn krachten komen vrij.
Ik begin mijn vaardigheden te leren beheersen. Of dat geloof ik althans.
Oké, dat hóóp ik.
Al zou ik eigenlijk al blij zijn als ik wist wat ze waren.
Ik begrijp de basis. Als ik flits, worden mijn zintuigen supersonisch.
Zicht. Reuk. Gehoor. Smaak. Zelfs mijn tastzin.
Ik word sneller. Sterker.
Energieker.
Viraal.
Zo noemen we onszelf. Viralen. We vonden dat we een naam voor
onze groep nodig hadden toen we een bende genetische mutanten
werden. Dat is goed voor het moreel.
Er zijn in totaal vijf Viralen. Ik. Ben. Ram. Shelton. En mijn
wolfshond Cooper, natuurlijk. Hij was immers de allereerste patiënt.
In principe kunnen wij Viralen gebruikmaken van de lichamelijke
kracht van wolven. Maar niet altijd wanneer we dat willen. En soms
komen de veranderingen onaangekondigd.
Eerlijk gezegd hebben we geen idee wat er nou eigenlijk precies
met ons is gebeurd of wat we ertegen kunnen doen. Of wat er nog zal
komen.
Maar één ding is zeker: we zijn anders. Raar. Buitenbeentjes.
En we staan er alleen voor.
Bens frustratie werd met de seconde erger. Boos trok hij zijn zwarte
t-shirt uit en gooide het op het zand, alsof alleen dat kledingstuk
zijn inspanningen dwarsboomde. Er lag een laagje zweet op zijn zongebruinde
huid.
Ik wendde me af, zodat hij mijn gloeiende ogen niet zou zien. Ik
wilde hem niet nog meer opfokken. Ben Blue is helemaal niet leuk
als hij chagrijnig is.
Ram zat op zijn hurken vlak achter Ben. Een mollige jongen met
golvend bruin haar, gekleed in een rood hawaïhemd en een groene
short. Niet bepaald stijlvol – of zelfs maar bij elkaar passend – maar
typisch voor Hiram Stolowitski.
Hij staarde naar de kustlijn, omdat hij allang geflitst was. Van alle
Viralen was het voor Ram het gemakkelijkst om toegang te krijgen
tot zijn krachten.
‘Ik zie je wel, konijntje,’ fluisterde hij zachtjes. ‘Je kunt je niet verstoppen
voor Wolfman Ram.’
‘Goed werk,’ zei ik met een uitgestreken gezicht. Nu mijn krachten
ontketend waren, hoorde ik elk woord haarscherp. ‘Een hulpeloos
konijntje sarren. Dat is een nuttig gebruik van onze flitstijd.’
‘Hij sarde mij als eerste.’ Rams blik bleef aan zijn doelwit plakken.
‘Door zo verrekte scháttig te zijn! Of niet soms? Ben jij niet superschattig,
pluizebolletje!’
Ik sloeg mijn goudkleurige ogen ten hemel. ‘We zijn hier eigenlijk
om te oefenen.’
‘Oefen je ogen dan maar, juffrouw Spelbreker.’ Hij wees. ‘Vijftig
meter. Derde duin vanaf de bomen, die met al die lisdodde erop:
Typha latifolia. Bruine vacht, gespikkeld. Zwarte snorharen. Een Floridakonijn:
Sylvilagus floridanus.’
Ram pochte graag met zijn kennis van de natuur, ongeveer net zo
graag als hij wetenschappelijke experimenten deed. Beide eigenschappen
had hij geërfd van zijn vader, die werktuigbouwkundig ingenieur
was bij liri.
Ineens gilde Ram gemaakt, en zijn wangen kleurden. ‘O! En nu
heeft hij een konijnenvriendinnetje bij zich!’
We stonden vlak bij het noordelijkste punt van Turtle Beach, aan
de westkust van Loggerhead Island. Het bos bevond zich rechts van
mij. Links strekte zich de Atlantische Oceaan uit, helemaal tot aan
Afrika.
Ik keek naar de plek waar Ram naar had gewezen: een ruige pol
lisdodde en mirte aan de rand van het bos. Mijn zicht stelde zich
scherp. Richtte zich op één punt.
Dat punt sprong naar voren met ongelooflijke helderheid, veel
duidelijker dan een mens zou kunnen zien. Ik zag elk blaadje, elk
takje. En ja hoor, ik zag inderdaad twee snuffelende konijnen tussen
de begroeiing.
Van een half voetbalveld afstand.
‘Je flitszicht is fantastisch,’ zei ik. ‘Beter dan het mijne. Ik kan van
deze afstand hun snorharen niet zien.’
Ram haalde zijn schouders op. ‘Dan heb ik in ieder geval één zintuig
dat beter is dan die van jullie. Ik hoor niet zo goed als Shelton,
en ik heb ook niet jouw neus.’
Naast me gromde Ben. Grauwde. Trilde. Hij kreeg het vuurtje nog
steeds niet aan. Zijn ogen bleven dicht, maar zijn gemompel was
overgegaan in gevloek. Vrij hartgrondig gevloek.
Toen hij Ben zag worstelen, krabde Ram aan zijn kin. Hij wierp
een blik op mij. Haalde zijn schouders op. Hij stapte geruisloos achter
Ben.
En schopte hem toen zomaar onder zijn kont. Heel hard.
Ben duikelde naar voren in het zand.
‘Wel potverdomme!’ Ben sprong overeind en kwam met gebalde
vuisten op Ram af. Zijn ogen gloeiden nu met een goudgeel vuur.
‘Rustig, kerel!’ Ram deinsde achteruit, met beide handen in de
lucht. ‘Ik wilde je alleen maar kwaad genoeg krijgen! Het was even
nodig.’
Tot nu toe kon Ben zijn krachten alleen maar aanspreken als hij
kwaad was. Zoals nu. Hij leek op het punt te staan Rams hoofd eraf
te trekken.
‘Stop!’ riep ik, om escalatie te voorkomen. ‘Ben, je flitst. Het is gelukt.’
Ben bleef staan, keek naar zijn handen en merkte de verandering
op. Fronsend knikte hij naar Ram. Ram stak zijn duim op en grijnsde
breeduit.
‘We moeten een betere manier zien te vinden,’ mompelde Ben,
‘anders sla ik nog eens iemand in elkaar. Hoewel ik die stomkop hier
misschien alsnog een oplawaai verkoop,’ zei hij, gebarend naar Ram.
Ram stompte tegen Bens schouder. ‘Hé, graag gedaan, vriend.’
Razendsnel greep Ben Ram vast en knelde hem in een stevige berenomhelzing.
‘Wijsneus.’
Ram sputterde, hapte naar adem. ‘Kappen! Ik val niet op je!’
Ben lachte. Toen tilde hij Ram over zijn schouders. Moeiteloos.
Mijn mond viel open.
Ben draaide Ram boven zijn hoofd rond als een helikopterwiek.
Eén keer. Twee keer. Ram werd lichtgroen. Limoengroen? Erwtgroen?
Klavergroen?
‘Ik moet kotsen!’ waarschuwde Ram. ‘Groot alarm!’
Ben draafde naar het water. Gaf een zet.
Ram vloog als een lappenpop door de lucht en belandde proestend
en vloekend in de branding.
Ben grijnsde vals. ‘Ik geloof dat ik het nu wel heb. Bedankt.’
‘Ondankbare.’ Ram blies water uit zijn neus terwijl hij zijn drijfnatte
kleren bekeek. ‘Maar ik moet toegeven, dat was best indrukwekkend.
Je wordt stérk.’
Ram probeerde zijn aanvaller nat te spatten, maar Ben danste joelend
weg. Toen rende Ben Turtle Beach over, sprong de duinen in en
verdween uit het zicht.
‘Wauw,’ zei ik. ‘En snel is hij ook. Veel sneller dan ik, zelfs als ik
flits.’
Ram ploeterde het strand weer op. ‘Ik heb hem laten winnen. Zijn
zelfvertrouwen had een oppepper nodig.’
‘Tuurlijk.’
‘Hé, ik ben een vrijgevig mens.’
‘Een heilige.’
Het was fijn om Ben weer te zien lachen. Er viel niet veel meer te
lachen sinds de zaak-Heaton. De ophef in de media was snel bedaard,
maar onze ouders lieten zich niet zo gemakkelijk afleiden. We
hadden allemaal het grootste deel van de zomer huisarrest gekregen.
En dan bedoel ik ook echt huisarrest. Onze ouders hadden ons op
slimme manieren afgestraft. Geen bezoek, geen tv, geen telefoon.
Zelfs geen internet. Het was verschrikkelijk, alsof we in een grot
woonden.
Zonder mogelijkheid om elkaar te ontmoeten of zelfs maar te
overleggen over onze krachten, was ik langzamerhand gek geworden.
Het virus was een onvoorspelbaar element dat door ons heen raasde.
Álles was mogelijk.
Was de ziekte voorgoed verdwenen? Waren onze krachten gestabiliseerd?
Wist er nog iemand anders af van Karstens geheime experiment?
Van Coop? Van ons?
Ik had wekenlang met die vragen opgesloten gezeten. In mijn eentje.
De afzondering was niet goed geweest voor mijn zenuwen.
Ben ontsnapte als eerste. Discipline was nooit het sterkste punt
geweest van vader en moeder Blue. Mijn vervroegde vrijlating kwam
begin augustus, na bijna twee maanden straf.
Goed gedrag? Eerder constant gemok. Kit hield het gewoon niet
meer uit.
Ram had zich er vorige week eindelijk uit gekletst. Dat verbaasde
me. Zijn moeder kennende, Ruth Stolowitski, had ik gedacht dat hij
de laatste zou zijn. Dus niet. Voor zover ik wist had Shelton nog
steeds straf. Kennelijk hadden de Devers een zerotolerancebeleid
voor crimineel gedrag, hoe gerechtvaardigd het ook mocht zijn.
Vergis je niet, ik zat nog steeds in een proeftijd. Heel streng. Kit
hield me voortdurend in de gaten. Althans, dat dacht hij.
Zodra Ram zich had bevrijd, waren we begonnen elke week met
ons drieën naar Loggerhead te gaan. We moesten oefenen, maar dan
wel ergens waar niemand ons zou zien. Deze afgelegen plek was ideaal.
En pal onder de neus van mijn vader kon ik zonder argwaan te
wekken het eiland bezoeken.
Loggerhead staat onder beheer van de universiteit van Charleston.
Heel weinig mensen mogen er komen. Gelukkig werkt mijn goeie
ouwe pa er. En de ouders van de andere Viralen ook.
Kit Howard is zeebioloog bij liri, de wetenschappelijke dependance
van de universiteit. liri is een van de meest geavanceerde
dierkundige faciliteiten ter wereld en bestaat uit een ommuurd terrein
van achtduizend vierkante meter groot aan de zuidkant van het
eiland.
Dat is nog niet alles. Loggerhead Island is een volledig onderzoekscentrum
voor primaten, waar hele bendes resusaapjes vrij door
de bossen zwerven. Behalve het hoofdcomplex staan er geen permanente
gebouwen.
De omgeving is zo onaangeroerd als maar mogelijk is voor een
flink stuk kostbaar vastgoed vlak voor de kust van Charleston.
Een perfecte plek om je bovenmenselijke krachten uit te leven.
Dit was onze derde oefensessie, en we begonnen kleine verschillen
in onze vermogens op te merken. Sterke punten. Zwakke punten.
Variaties in stijl en finesse.
Maar de krachten waren complex, en onze greep erop verre van
perfect. Wat ik er níét van begreep, daar kon je een oceaan mee vullen.
Diep vanbinnen had ik het vermoeden dat we onze volledige
vaardigheden nog lang niet kenden.
Een explosie van zand trok mijn aandacht.
Mijn blik bleef hangen bij een stuiterende omtrek die ontzettend
snel naderde. Ik zoomde in. Onbewust spanden mijn spieren zich,
klaar om te springen.
Toen herkende ik hem.
Het was Ben, die met een verwilderd gezicht over de zandheuvel
kwam aanrennen.
Een tel later snapte ik waarom.
Hij werd achtervolgd.
Meer lezen? Vanaf 15 juni kan het!
Aanval – Kathy Reichs
Paperback, 320 p.
Vertaling: Lia Belt
ISBN: 9789022559284
Prijs: € 16,95
www.boekerij.nl




