Sneak Preview: ‘De duistere kant van Mara Dyer’
Op 29 augustus komt bij uitgeverij Edge (van Manteau) De duistere kant van Mara Dyer uit, een Young Adult thriller van Michelle Hodkin, die opgroeide in Florida, naar school ging in New York en uiteindelijk Rechten studeerde in Michigan. Ze werd lid van een toneelgroep en reisde door heel Amerika om op te treden, onder andere met een één vrouw optreden van Titus Andronicus. Dit avontuur hield op toen ze begon met het schrijven van haar debuut, De duistere kant van Mara Dyer. Het tweede en derde deel zijn inmiddels al af en zullen in Amerika eind 2012 en begin 2013 verschijnen.
De duistere kant van Mara Dyer gaat over Mara Dyer, die zich niets kan herinneren van een ongeluk waarbij drie van haar vrienden omkwamen. Ze verhuist met haar familie naar Florida, gaat naar een nieuwe school en hoopt met een schone lei te kunnen beginnen, maar dan beginnen er meer doden in haar directe omgeving te vallen en gebeuren er vreemde dingen. Mara begint al snel te beseffen dat ze haar geheugen moet terugkrijgen om haar familie en toekomst veilig te kunnen stellen.
Crimezone YA laat je alvast enkele hoofdstukken uit dit spannende boek lezen.
Mijn naam is niet Mara Dyer, maar mijn
advocaat raadde me aan iets te kiezen. Een
pseudoniem. Een nom de plume, voor ieder van
ons die nu hard leert voor zijn SAT-examens.
Ik weet dat het nogal vreemd is om een
zelfverzonnen naam te hebben, maar geloof me,
dat is tegenwoordig nog wel het normaalste aan
mijn leven. Het is waarschijnlijk niet eens slim
dat ik je dit allemaal vertel. Maar als ik mijn
mond had kunnen houden, had niemand ooit
geweten dat een zeventienjarige die fan is van
Death Cab for Cutie verantwoordelijk is voor de
moorden. Niemand zou hebben geweten dat er
ergens een scholier met bovengemiddelde rapportcijfers
rondloopt die al een aantal slachtoffers heeft
gemaakt. En het is belangrijk dat je dat wel
weet, zodat je niet het volgende slachtoffer bent.
Het begon allemaal op Rachels verjaardag. Dit is
wat ik me nog kan herinneren.
‘Mara Dyer’
Simsalabim, New York City
Hopperdepop
1
TOEN
Laurelton, Rhode Island
Het krullerige handschrift op het bord leek te dansen in het
kaarslicht, waardoor de letters en cijfers voor mijn ogen
zwommen. Ze liepen in elkaar over en ik kon ze niet meer
ontcijferen; net lettervermicelli in de soep. Toen Claire de
hartvormige aanwijzer in mijn hand drukte, schrok ik. Ik was
normaal gesproken niet zo schrikachtig en hoopte maar dat
Rachel het niet zou merken. Het Ouijabord was haar
favoriete cadeau die avond; ze had het gekregen van Claire. Ik
had haar een armband gegeven. Die had ze niet om.
Ik knielde neer op het vloerkleed en gaf de aanwijzer door
aan Rachel. Claire schudde haar hoofd en liet haar
minachting duidelijk blijken.
Rachel legde de aanwijzer neer. ‘Het is maar een spelletje,
Mara.’ Ze glimlachte en haar tanden leken nog witter in het
schemerlicht. Rachel en ik waren al bevriend vanaf de
peuterschool. Zij, donker en wild van aard, en ik, bleek en
voorzichtig. Maar dat was minder erg als we samen waren.
Met haar erbij had ik meer zelfvertrouwen. Meestal.
‘Ik heb niks wat ik aan een overledene wil vragen’, zei ik
tegen haar. En met zestien zijn we hier veel te oud voor,
dacht ik, maar ik zei het niet hardop.
‘Vraag dan of Jude jou ooit ook leuk gaat vinden.’
Claires woorden klonken onschuldig, al wist ik beter. Er
verscheen een blos op mijn wangen, maar ik onderdrukte een
bitse opmerking en maakte er een grapje over. ‘Kan ik niet
vragen om een auto? Of kan ik met de geest van een
overleden kerstman communiceren?’
‘Nou, aangezien ik jarig ben, mag ik eerst.’ Rachel legde haar
vingers op de aanwijzer. Claire en ik deden hetzelfde.
‘O! Rachel! Vraag het bord hoe je doodgaat.’
Rachel slaakte een instemmend kreetje en ik schonk Claire
een kwade blik. Ze was zes maanden eerder hierheen
verhuisd, maar had zich in die tijd aan mijn beste vriendin
vastgeklampt als een uitgehongerde bloedzuiger. Ze had
twee missies in haar leven: mij het gevoel geven dat ik het
vijfde wiel aan de wagen was en me pesten omdat ik verliefd
was op haar broer, Jude. Het kwam me allebei de keel uit.
‘Denk eraan: niet duwen’, deelde Claire me mee.
‘Oké. Staat genoteerd. Anders nog iets?’
Maar Rachel kwam tussenbeide voor het uitdraaide op echt
bekvechten. ‘Hoe ga ik dood?’
Alle drie staarden we naar het bord. Mijn kuiten prikten van
het te lang op mijn knieën op Rachels vloer zitten en mijn
knieholten voelden plakkerig van het zweet. Verder gebeurde
er niets.
Tot de aanwijzer plotseling bewoog. We keken elkaar aan
terwijl het ding onder onze vingers begon te schuiven. Hij
maakte een halve cirkel over het bord en gleed langs de A tot
aan de K, voorbij de L.
Op de M bleef hij liggen.
‘Moord?’ Claires stem sloeg bijna over van enthousiasme. Ze
was zo raar. Wat zag Rachel toch in haar?
De aanwijzer gleed echter een andere kant op, weg van de O.
Hij kwam tot stilstand op de A.
Rachel keek vragend op. ‘Ma–?’
‘Marteling?’ vroeg Claire. ‘Misschien bezoek je wel een
museum waar een van die oude martelwerktuigen tot leven
komt.’ Rachel lachte, waardoor de paniek die ik voelde
opkomen eventjes, heel eventjes, wegzakte. Toen ik was gaan
zitten om hieraan mee te doen, kostte het me moeite om niet
met mijn ogen te rollen bij Claires theatrale gedoe. Maar nu…
De aanwijzer zigzagde vervolgens over het bord en deed haar
lach verstommen.
R.
We waren doodstil. Niemand haalde zijn ogen van het bord
toen de aanwijzer terug naar het begin schoof. Terug naar de
A.
En daar bleef hij liggen.
We wachtten tot de aanwijzer een volgende letter zou kiezen,
maar er gebeurde niets. Na drie minuten lieten Rachel en
Claire het ding los en trokken hun handen terug. Ik voelde
hoe ze naar mij keken.
‘Het wil jou iets vragen’, zei Rachel zachtjes.
‘Als je met “het” soms Claire bedoelt, dan wil ik dat best
geloven.’ Ik stond op, trillend en misselijk. Ik was er klaar
mee.
‘Ik heb hem niet geduwd’, zei Claire met grote ogen. Ze keek
eerst naar Rachel, toen naar mij.
‘Durf je dat te zweren?’ vroeg ik sarcastisch.
‘Waarom niet?’ antwoordde Claire boosaardig. Ze krabbelde
overeind en kwam dichterbij. Te dichtbij. Haar groene ogen
stonden gevaarlijk. ‘Ik heb hem niet geduwd’, herhaalde ze.
‘Het bord wil met jou spelen.’
Rachel pakte mijn hand vast en trok zich op van de grond. Ze
keek Claire strak aan. ‘Ik geloof je wel,’ zei ze, ‘maar zullen
we nou iets anders gaan doen?’
‘Zoals wat?’ Claire klonk eentonig en ik staarde haar recht in
haar ogen, zonder te knipperen. Klaar voor de start…
‘We kunnen The Blair Witch Project kijken.’ Claires favoriete
film. Wat anders. ‘Lijkt je dat wat?’ Rachel vroeg het
voorzichtig, maar suggestief.
Ik maakte mijn blik los van Claire en knikte, met een
gemaakte glimlach. Claire deed hetzelfde. Rachel ontspande
zich weer; ik niet. Maar voor haar probeerde ik mijn woede
en het gevoel van ongemak te onderdrukken terwijl we op de
bank kropen om naar de film te kijken. Rachel stopte de dvd
erin en blies de kaarsen uit.
Zes maanden later waren ze allebei dood.
2
NU
Rhode Island Ziekenhuis
Providence, Rhode Island
Ik opende mijn ogen. Links van mij piepte een machine
ritmisch en hardnekkig. Ik keek naar rechts. Daar siste een
tweede machine naast het nachtkastje. Mijn hoofd deed zeer
en ik wist niet goed waar ik was. Mijn hersenen hadden
moeite met het interpreteren van de wijzerstand van de klok
naast de badkamerdeur. Ik hoorde stemmen vlak buiten mijn
kamer. Ik kwam wat meer overeind in het ziekenhuisbed en
de dunne kussens knisperden onder me terwijl ik ging
verzitten en probeerde te verstaan wat er gezegd werd. Vlak
onder mijn neus kriebelde er iets. Een slangetje. Ik wilde het
met mijn handen weghalen, maar toen ik omlaag keek, zag ik
nog meer slangetjes. Die weer vastzaten aan naalden. Die uit
mijn huid staken. Ik voelde iets strak trekken toen ik mijn
handen bewoog. Mijn maag draaide zich zowat om.
‘Haal ze weg’, fluisterde ik tegen de lege ruimte om me heen.
Ik kon zien waar het puntige staal mijn aderen binnendrong.
Mijn ademhaling werd oppervlakkiger en ik stond op het
punt te gaan gillen.
‘Haal ze weg’, zei ik, nu een stuk harder.
‘Wat?’ vroeg een zacht stemmetje, zonder dat ik kon zien bij
wie het hoorde.
‘Haal ze weg!’ gilde ik.
Meteen stond de kamer vol mensen. Ik zag mijn vaders
gezicht, extreem bezorgd en nog witter dan gewoonlijk.
‘Rustig maar, Mara.’
Toen zag ik mijn jongere broertje Joseph, met grote ogen en
een angstige blik. Donkere vlekken maakten het me
onmogelijk om andere gezichten te herkennen. Ik zag alleen
nog de wirwar van naalden en slangetjes en weer voelde ik
iets aan mijn droge huid trekken. Ik kon niet helder
nadenken. Ik kon geen woord uitbrengen. Maar ik kon me
nog wel bewegen. Met een hand graaide ik naar de andere
arm en rukte het eerste slangetje eruit. De pijn was hevig.
Maar daar kon ik me tenminste aan vastgrijpen.
‘Diep ademhalen. Het is al goed. Het is al goed.’
Het was helemaal niet goed. Ze luisterden niet naar me en ze
moesten die dingen weghalen. Ik wilde het ze zeggen, maar
de duisternis groeide en slokte de hele kamer op.
‘Mara?’
Ik knipperde, maar zag niets. Het piepen en sissen was weer
opgehouden.
‘Probeer je niet te verzetten, lieve schat.’
Ik knipperde met mijn oogleden toen ik mijn moeders stem
hoorde. Ze stond over me heen gebogen en klopte een van de
kussens op. Haar steile, zwarte haar gleed over haar
amandelkleurige huid naar voren. Ik wilde me opzij bewegen
zodat ze er beter bij kon, maar ik kon mijn hoofd nauwelijks
omhoog houden. Vlak achter mijn moeder zag ik twee
verpleegkundigen streng kijken. Een van hen had een rode
striem op haar wang.
‘Wat is er met me aan de hand?’ fluisterde ik hees. Mijn
lippen voelden aan als schuurpapier.
Mijn moeder veegde een losse, plakkerige pluk haar uit mijn
gezicht. ‘Ze hebben je iets gegeven om je te helpen
ontspannen.’
Ik haalde diep adem. Het slangetje onder mijn neus was
verdwenen. En de slangetjes in mijn handen ook. Ze waren
vervangen door gaasachtig wit verband dat mijn onderarmen
bedekte. Rode vlekjes drongen door het verband heen. Er
verdween een gewicht van mijn borstkas en een diepe zucht
ontsnapte uit mijn keel. De kamer kwam langzaam maar
zeker scherper in beeld nu de naalden eruit waren.
Ik keek naar mijn vader, die bij de muur het verst van mij
vandaan zat. Hij zag er hulpeloos uit. ‘Wat is er gebeurd?’
vroeg ik verward.
‘Je hebt een ongeluk gehad, lieve schat’, antwoordde mijn
moeder. Mijn vader keek me wel aan, maar zei niets. Mama
had blijkbaar de leiding.
Mijn hoofd tolde. Een ongeluk. Wanneer dan?
‘Is de andere bestuurder…’ begon ik, maar ik kon de zin niet
afmaken.
‘Nee, geen auto-ongeluk, Mara.’ Mijn moeders stem klonk
kalm. Beheerst. Het was haar psychologenstem, besefte ik.
‘Wat is het laatste dat je je kunt herinneren?’
Die vraag onthutste me, meer dan al het andere bij elkaar.
Meer dan het wakker worden in een ziekenhuiskamer of
ontdekken dat er slangetjes in mijn armen zaten. Ik staarde
haar voor het eerst aandachtig aan. Er zaten donkere kringen
rond haar ogen. Nagels die normaal gesproken perfect
gemanicuurd waren, zagen er nu afgekloven uit.
‘Welke dag is het vandaag?’ vroeg ik zachtjes.
‘Welke dag denk je dat het is?’ Mijn moeder vond het altijd al
leuk een vraag te beantwoorden met een wedervraag.
Met mijn handen wreef ik over mijn gezicht. Mijn huid leek
te ritselen bij de aanraking. ‘Woensdag?’
Mijn moeder bestudeerde me nauwlettend. ‘Zondag.’
Zondag. Ik wendde mijn hoofd van haar af en liet mijn blik
door de ziekenhuiskamer glijden. Ik had de bloemen nog niet
eerder opgemerkt, maar ze stonden overal. Een vaas gele
rozen stond vlak naast mijn bed. Rachels lievelingsbloemen.
Een doos met een aantal van mijn spullen van thuis erin
stond op een stoel bij het bed. Een oude lappenpop die ik als
baby van mijn oma had geërfd hing met haar arm slap over
de rand.
‘Wat kun je je nog herinneren, Mara?’
‘Ik had woensdag een geschiedenisproefwerk. Ik reed na
school naar huis…’
Ik baande me een weg door mijn gedachten, mijn
herinneringen. Ik zag hoe ik ons huis in liep. Een mueslireep
pakte uit de keuken. Naar mijn slaapkamer op de eerste
verdieping ging, waar ik mijn tas op de grond liet vallen en er
een boek uit pakte: de Thebaanse Cyclus van Sophocles. Ik
schreef. Maakte een paar tekeningen in mijn schetsboek. En
toen… niks meer.
Langzaam bekroop me een vlaag van angst. ‘Dat is alles’, zei
ik tegen haar terwijl ik opkeek.
Vlak boven mijn moeders ooglid trilde een spiertje. ‘Je bent
naar het Tamerlane gegaan…’ begon ze.
O, god.
‘Het gebouw is ingestort. Iemand heeft het donderdag rond
drie uur ’s ochtends gemeld. Toen de politie aankwam,
hoorden ze jou.’
Mijn vader schraapte zijn keel. ‘Je gilde.’
Mijn moeder keek hem veelbetekenend aan voor ze zich weer
tot mij wendde. ‘Het gebouw is op zo’n manier ingestort dat
jij in een soort luchtkamer terechtkwam in de kelder. Tegen
de tijd dat ze je bereikten, was je bewusteloos. Je bent
misschien gewoon flauwgevallen van uitdroging, maar het
kan ook zijn dat er iets op jou terecht is gekomen en je
daardoor buiten bewustzijn raakte. Je hebt een paar blauwe
plekken’, zei ze en ze veegde mijn haar opzij.
Ik keek langs haar en zag de achterkant van haar bovenlichaam
in een spiegel boven de wastafel. Ik vroeg me af hoe
‘een paar blauwe plekken’ eruitzagen nadat er een gebouw
op je was gevallen.
Ik duwde mezelf overeind. De zwijgende verpleegkundigen
verstijfden. Ze gedroegen zich meer als een soort bewakers.
Mijn gewrichten protesteerden toen ik mijn nek uitstak om
over het voeteneind van het bed te kunnen kijken. Mijn
moeder keek met me mee in de spiegel. Ze had gelijk, er lag
een blauwgekleurde schaduw over mijn rechterwang en
-jukbeen. Ik tilde mijn haar verder opzij om te zien hoe ver de
plek doorliep, maar dat was alles. Afgezien van die plek zag
ik er normaal uit. Normaal voor mijn doen, maar ook
normaal-normaal. Ik richtte mijn ogen weer op mijn moeder.
We waren zo anders, zij en ik. Ik had niets van haar delicate
Indiase gelaatstrekken. Niet haar perfect ovale gezicht, niet
haar gitzwarte haren. In plaats daarvan had ik mijn vaders
aristocratische neus en kaaklijn meegekregen. En afgezien
van die ene blauwe plek zag ik er helemaal niet uit alsof ik
onder een ingestort gebouw had gelegen. Ik tuurde met
toegeknepen ogen naar mijn spiegelbeeld en leunde daarna
naar achteren tegen de kussens om naar het plafond te
staren.
‘De artsen zeggen dat je er weer helemaal bovenop komt.’
Mijn moeder glimlachte zwakjes. ‘Je mag vanavond zelfs al
naar huis, als je je goed genoeg voelt.’
Ik keek weer omlaag, naar de verpleegkundigen. ‘Wat doen
zij hier?’ vroeg ik aan mijn moeder terwijl ik naar ze bleef
staren. Ze bezorgden me koude rillingen.
‘Ze hebben sinds donderdag voor je gezorgd’, antwoordde ze.
Ze knikte naar de verpleegster met de rode striem op haar
wang. ‘Dit is Carmella’, zei ze en ze wees vervolgens naar de
ander. ‘En dit is Linda.’
Carmella, de verpleegkundige met de rode striem in haar
gezicht, glimlachte, maar niet van harte. ‘Je deelt een flinke
hoekstoot uit.’
Ik fronste mijn wenkbrauwen en keek mijn moeder aan.
‘Je raakte in paniek toen je de vorige keer wakker werd. Zij
moesten hier blijven voor het geval je weer wakker werd en
nog steeds… gedesoriënteerd was.’
‘Zoiets gebeurt vrij vaak’, zei Carmella. ‘En als je je nu weer
beter voelt, dan kunnen wij gaan.’
Ik knikte. Mijn keel voelde droog aan. ‘Bedankt. En sorry.’
‘Geen probleem, lieverd’, zei ze. Haar woorden klonken niet
gemeend. En Linda had de hele tijd nog geen woord gezegd.
‘Laat het ons maar weten als je iets nodig hebt.’ Ze draaiden
zich om en liepen tegelijkertijd de kamer uit, zodat ik alleen
was met mijn familie.
Ik was blij dat ze vertrokken waren. Pas toen realiseerde ik
me dat het waarschijnlijk niet normaal was zo te reageren op
twee verpleegkundigen. Ik moest me op iets anders richten.
Ik zocht de kamer af en uiteindelijk viel mijn blik weer op het
nachtkastje met de rozen. Ze waren vers, nog niet verwelkt.
Ik vroeg me af wanneer Rachel die gebracht had.
‘Is ze langs geweest?’
Mijn moeders gezicht betrok. ‘Wie?’
‘Rachel.’
Mijn vader maakte een raar geluid en zelfs mijn moeder, mijn
ervaren, perfecte moeder, stond er ongemakkelijk bij.
‘Nee’, zei ze. ‘De bloemen zijn van haar ouders.’
Er was iets aan de manier waarop ze dat zei wat me
kippenvel bezorgde. ‘Dus ze is me niet komen opzoeken’, zei
ik zachtjes.
‘Nee.’
Ik had het koud, zo enorm koud, en toch brak het zweet me
uit. ‘Heeft ze dan gebeld?’
‘Nee, Mara.’
Ik kon wel gillen van zo’n antwoord. Maar in plaats daarvan
stak ik mijn hand naar haar uit. ‘Geef me je telefoon. Ik wil
haar bellen.’
Mijn moeder probeerde te glimlachen, maar dat mislukte
faliekant. ‘Laten we het hier straks over hebben, goed? Je
moet nu weer even rusten.’
‘Ik wil haar nu bellen.’ Mijn stem sloeg bijna over. Ik sloeg
bijna door.
Mijn vader merkte het aan me. ‘Ze was bij je, Mara. Claire en
Jude ook’, zei hij.
Nee.
Het voelde alsof er iets op mijn borst drukte. Ik kreeg het
benauwd en had bijna te weinig lucht om nog te praten.
‘Liggen ze ook in het ziekenhuis?’ vroeg ik, omdat dat
moest – ook al kon ik het antwoord aflezen van de gezichten
van mijn ouders.
‘Ze hebben het niet gered’, antwoordde mijn moeder
langzaam.
Dit kon niet waar zijn. Dit was niet echt. Iets slijmerigs en
afgrijselijks kroop omhoog in mijn keel.
‘Hoe? Hoe zijn ze overleden?’ lukte het me uit te brengen.
‘Het gebouw is ingestort’, sprak mijn moeder kalm.
‘Maar hoe dan?’
‘Het was een oud gebouw, Mara. Dat weet je best.’
Ik kon niets meer zeggen. Natuurlijk wist ik dat. Toen mijn
vader na zijn rechtenstudie terugverhuisde naar Rhode
Island, had hij de familie vertegenwoordigd van een jongen
die ingesloten was geraakt in het gebouw. Een jongen die
daar was overleden. Het werd Daniel ten strengste verboden
ooit bij het oude instituut in de buurt te komen – al zou mijn
perfecte oudere broer dat nooit doen. En ik ook niet.
Maar om een of andere reden had ik dat dus wel gedaan. Met
Rachel, Claire en Jude.
Met Rachel. Rachel!
Er schoot opeens een herinnering door mijn hoofd van
Rachel die dapper de kleuterschool binnenstapte, hand in
hand met mij. Rachel die de lichten in haar slaapkamer uit
deed en me al haar geheimen vertelde, nadat ze de mijne had
aangehoord. Er was niet eens tijd om de woorden ‘Claire en
Jude ook’ te verwerken, want de naam ‘Rachel’ vulde alle
hoeken en gaten van mijn gedachten. Ik voelde een warme
traan over mijn wang rollen.
‘Wat als… wat als zij nou ook alleen maar opgesloten zat?’
vroeg ik.
‘Lieverd, nee. Ze hebben gezocht. Ze vonden…’ Mijn moeder
brak de zin af.
‘Wat?’ vroeg ik schril. ‘Wat hebben ze gevonden?’
Ze bestudeerde me. Ze keek me lang aan en zei niets.
‘Zeg het’, zei ik op bevelende toon. ‘Ik wil het weten.’
‘Ze vonden… overblijfselen’, zei ze ontwijkend. ‘Ze zijn er
niet meer, Mara. Ze hebben het niet gered.’
Overblijfselen. Lichaamsdelen, bedoelde ze. Er kwam een
vlaag van misselijkheid in me op. Ik moest bijna kokhalzen.
Ik staarde in plaats daarvan met een strakke blik naar de gele
rozen van Rachels moeder en kneep mijn ogen stijf dicht,
gravend naar een herinnering, al was het maar een fragment,
van die avond. Waarom we daarheen waren gegaan. Wat we
daar deden. Waarom zij dood waren.
‘Ik wil weten wat er precies gebeurd is.’
‘Mara…’
Ik herkende die sussende toon, en mijn handen balden zich
tot vuisten rond mijn laken. Ze probeerde me te beschermen,
maar in plaats daarvan kwelde ze me alleen maar.
‘Je moet het me vertellen’, smeekte ik. Ik kon bijna niet
slikken, zo droog voelde mijn keel.
Met glazige ogen en een gezicht vol verdriet keek ze me aan.
‘Als ik dat kon, zou ik het doen, Mara. Maar jij bent de enige
die dat weet.’



