Sneak Preview: ‘GONE: Angst’ van Michael Grant
Volgende week verschijnt bij uitgeverij Van Holkema & Warendorf het nieuwste deel in Michael Grant’s GONE-serie: Angst. Het eerste deel in de serie, Verlaten, kwam al in 2008 uit en werd opgevolgd door Honger, Leugens en Plaag. Het zesde en laatste deel heet Licht en moet nog uitkomen. De boeken vertellen het verhaal van een groep kinderen in Perdido Beach (Californië) die na een mysterieuze gebeurtenis ineens zonder volwassenen en kinderen boven de vijftien achterblijven in een glazen koepel, de Fall-out Alley Kinder Zone (FAKZ). Sommige kinderen ontwikkelen daarbij ook nog speciale krachten. Kunnen ze zich redden zonder volwassenen en zonder ruzie met elkaar te krijgen?
In het vijfde deel hebben de kinderen in Perdido Beach al een hele tijd weten te overleven in de koepel, ondanks de honger en andere ontberingen. De Duisternis blijft echter langzaam binnensluipen in de koepel en grijpt in dit deel letterlijk de macht. De gehele koepel wordt in duisternis gehuld en er ontstaat een nieuwe vijand voor de kinderen: angst. Hun overlevingsdrang is in deze donkere tijden groter dan ooit, maar kunnen ze wel weerstand bieden tegen de Duisternis of wordt dit het einde van de FAKZ?
Crimezone YA laat je alvast enkele hoofdstukken uit dit spannende boek lezen.
BUITEN
Het ene moment zat Connie Temple haar dagboek bij te werken op
haar kleine laptop. En het volgende moment was ze weg.
Connie aanwezig.
Connie weg.
Geen ‘poef’. Geen lichtflits. Geen knal.
Opeens had Connie Temple op het strand gelegen. Op haar rug.
In het zand. Ze had op een stoel gezeten toen het gebeurde, dus ze
was op haar billen in het zand geploft en op haar rug gevallen, met
haar knieën omhoog.
Om haar heen lagen andere mensen. De meesten kende ze niet.
Een paar gezichten had ze wel eens in de stad gezien.
Sommige mensen stonden, sommige zaten, sommige leken nog
steeds een stuur vast te houden. Sommige mensen hadden sportkleren
aan en leken al rennend naar het strand of de snelweg gekomen
te zijn.
Een man die Connie herkende als een leraar van Sams school
stond verdwaasd met zijn hand omhoog, alsof hij net iets op het
bord had willen schrijven.
Connie was langzaam en verbijsterd opgestaan en had niet kunnen
geloven dat het echt gebeurde. Ze had zich afgevraagd of ze
een beroerte had. Of het een soort hallucinatie was. Of dit het einde
van de wereld was. Het einde van haar leven.
En toen had ze hem gezien: de blinde, grijze, effen muur. Hij was
ontzagwekkend hoog en leek een bocht te maken.
Hij liep door de zee. Hij sneed de snelweg af. Hij sneed het Kliftop,
een chic hotel, doormidden. Hij strekte zich landinwaarts uit,
tot ver voorbij ze kon zien, en ging overal dwars doorheen.
Pas later zouden ze erachter komen dat het een bol was van
tweeëndertig kilometer doorsnee. Binnen de kortste keren doken
overal op internet luchtfoto’s op.
Pas later, na dagen vol ongeloof en ontkenning, accepteerde de
wereld dat de kinderen niet getransporteerd waren. Iedereen onder
de vijftien was verdwenen.
Van de inwoners van het stadje Perdido Beach in Californië en
een klein gedeelte van de omgeving was geen enkele volwassene
gestorven, hoewel een paar mensen gewond waren geraakt toen
ze plotseling in de woestijn of het water lagen of een heuvel af
rolden. Eén vrouw had opeens in het huis van iemand anders
gestaan. Eén man was kletsnat in zijn zwembroek midden op de
snelweg verschenen terwijl de auto’s alle kanten op schoten om
hem te ontwijken.
Uiteindelijk was er één dode gevallen: een zakenman uit San
Luis Obispo die in Perdido Beach een afspraak met een echtpaar
had gehad om hun verzekeringspolis te bespreken. Hij had de
muur over de weg in het nationale park Stefano Rey niet gezien en
zijn Hyundai was er met honderdtien kilometer per uur tegenop
geknald.
Connie wist niet meer hoe hij heette.
Er waren sinds die tijd heel veel namen voorbijgekomen in haar
leven.
Met moeite zette ze de herinnering aan die dag van zich af. Kolonel
Matteu zei iets belangrijks.
‘De energiesignatuur is veranderd.’
‘De wat?’ Connie Temple wierp een blik op Abana Baidoo. Ze
waren de afgelopen lange, afschuwelijke maanden goede vriendinnen
geworden. Abana begreep de wetenschappelijke details vaak
beter dan Connie, maar nu haalde ze haar schouders op.
George Zellicoe, de derde gezinswoordvoerder, was geestelijk al
heel lang niet meer aanwezig. Hij kwam nog wel naar de informatiebijeenkomsten,
maar hij zei nooit meer iets. Connie en Abana
hadden geprobeerd hem te helpen, maar hij was niet meer te redden.
Hij was opgeslokt door een depressie en er was weinig meer
over van de ooit zo energieke, zelfverzekerde man.
‘De energiesignatuur,’ zei kolonel Matteu. ‘Wat we de “J-golf”
zijn gaan noemen.’
‘Wat houdt dat precies in?’ vroeg Connie.
De kolonel leek niet erg op een kolonel. Natuurlijk droeg hij zo’n
perfect geperst legeruniform en had hij zo’n keurig kortgeknipt
kapsel, maar hij leek een beetje te zwemmen in het pak, waardoor
hij eruitzag alsof het een maat te groot was, of gekrompen sinds hij
het had aangeschaft.
Hij was de derde commandant die was aangesteld om de troepen
bij de Bol aan te voeren. De Bol. De Blaar van Perdido Beach. Hij
was de eerste die eerlijk antwoord gaf op een eenvoudige vraag.
‘Dat weten we niet. Het enige wat we weten is dat we van het
begin af aan een energiesignatuur ontvangen en dat die maar één
kant op gaat. En nu hebben we een verandering opgemerkt.’
‘Maar jullie weten niet wat dat betekent,’ zei Abana. Ze had een
manier van praten die van elke vraag een verontwaardigde aanval
maakte.
‘Nee, mevrouw. We weten het niet.’
Connie hoorde de lichte nadruk op het woord ‘weten’.
‘En wat vermoeden ze?’ vroeg Connie.
De kolonel zuchtte. ‘We mogen vooral niet vergeten dat we tientallen,
honderden verschillende theorieën hebben onderzocht. En
niet een daarvan bleek juist. We hadden een theorie toen de tweeling
springlevend naar buiten kwam. En ook toen Francis…’
Niemand hoefde aan Francis herinnerd te worden. Wat van
Francis naar buiten was gekomen, was een gruwel die live was opgenomen
en telkens weer werd uitgezonden terwijl de wereld met
een onpasselijk gevoel toekeek. Zeventig miljoen keer bekeken op
YouTube.
Vlak daarna was Maria verschenen. Godzijdank was dat niet gefilmd.
Ze hadden haar gevonden en wat er nog van het meisje over
was naar een ziekenhuis gebracht, waar ze in leven werd gehouden.
Voor zover je van leven kon spreken.
Plotseling sloeg de airconditioning aan. Het was altijd warm in
de trailers, zelfs op frisse dagen als deze waarop een zeebriesje verkoeling
bood.
‘We weten ondertussen dat we niet alles moeten geloven wat we
horen,’ zei Abana bits.
De kolonel knikte. ‘Ze denken dat het misschien… Een verzwak -
king, noemen ze het.’ Hij stak meteen zijn hand op om zijn toehoorders
de mond te snoeren. ‘Nee, ze kunnen nog steeds niet door
de muur. Maar toen ze een paar maanden terug delen van de muur
met röntgen- en gammastralen bestookten, werkte de muur telkens
als een volmaakte spiegel en werd de energie voor de volle honderd
procent teruggekaatst.’
‘En nu niet meer?’
‘Bij de laatste test was sprake van een terugkaatsing van 98,4 procent.
Dat klinkt weinig. En misschien heeft het wel niets te betekenen.
Maar het is vanaf dag één honderd procent geweest en het
is altijd honderd procent gebleven. En nu is het niet meer honderd
procent.’
‘Hij wordt minder sterk,’ zei Abana.
‘Dat zou kunnen.’
Gedrieën liepen Connie, Abana en George (de ouders van Sam,
Dahra en E.Z.) de trailer uit. De Californische strijdkrachten hadden
hun kamp, dat ze nogal bombastisch ‘Camp Camino Real’ hadden
genoemd, aan de landzijde van de snelweg opgeslagen, op een kaal
stuk grond nog geen vijfhonderd meter van de zuidgrens van de
Bol. Het was een verzameling van zo’n vijfentwintig trailers en barakken
die met militaire precisie waren neergezet. Aan minder tijdelijke
gebouwen – een kazerne, een wagenpark en een onderhoudsgebouw
– werd momenteel gewerkt.
Toen Camp Camino Real verrees, stond het nog helemaal alleen
op de prachtige, winderige kliffen boven het strand. Maar sinds die
tijd was er een Courtyard-hotel van Marriott bijgekomen, en een
fastfoodrestaurant van Carl’s Jr. De Del Taco had net een paar dagen
geleden zijn eerste burrito verkocht en de Holiday Inn Express had
één vleugel al opengesteld terwijl de rest van het hotel nog in aanbouw
was. Er stonden nog maar twee satellietwagens van de televisie naast
de snelweg, maar die mochten bijna nooit meer iets uitzenden: het
land en de wereld hadden hun belangstelling grotendeels verloren,
hoewel er nog steeds zo’n tweeduizend toeristen per dag naar het
uitkijkpunt togen. De rij geparkeerde auto’s langs de snelweg was
soms wel anderhalve kilometer lang.
Een handjevol souvenirverkopers verdiende nog steeds zijn
brood met de prullaria uit de met canvas bespannen stalletjes.
George stapte in zijn auto en reed zonder iets te zeggen weg.
Connie en Abana woonden nu hier; ze hadden samen een grote
camper op een privéplaats met uitzicht over de Grote Oceaan.
Home Depot had een mooie gasbarbecue gedoneerd en elke vrijdagavond
organiseerden Abana en zij een barbecue – hamburgers
of spareribs – voor de mensen van de media en alle gardisten,
militairen en snelwegagenten die toevallig in de buurt waren en
geen dienst hadden.
De twee vrouwen liepen aan de overkant van de snelweg langs
Camp Camino Real en gingen met hun gezicht naar de zee in hun
ligstoelen zitten. Connie zette koffie en gaf Abana een kop.
‘Moeten we hier een videoconferentie over beleggen?’ vroeg
Abana.
Connie zuchtte. ‘De gezinnen willen dit natuurlijk weten.’
De gezinnen. Dat was de term waar de media uiteindelijk voor
hadden gekozen. Eerst hadden ze hen ‘de overlevenden’ genoemd,
maar dat had geïmpliceerd dat de anderen, de kinderen, dood
waren. Van het begin af aan hadden de moeders en vaders en de
broers en zussen zich fel tegen dat idee verzet.
Verderop tufte een boot van de kustwacht over de kalme golven
langs de watergrens van de bizarre muur. Een paar maanden geleden
had een gezinslid gek van verdriet een boot vol explosieven
tegen de zijkant van de koepel gevaren. De ontploffing had uiteraard
geen enkel effect gehad op de Bol.
‘Ik begon net te denken…’ zei Connie.
Abana wachtte en nam een slokje koffie.
‘Ik begon net te denken dat ik misschien weer eens iets anders
moest gaan doen. Snap je wat ik bedoel? Dat het misschien tijd was
om verder te gaan met mijn leven.’
Haar vriendin knikte. ‘En dan krijg je dit. Een verzwakking. Een
verandering van 1,6 procent.’
‘En nu, en nu, en nu,’ zei Connie vermoeid. ‘Hoop is wreed.’
‘Iemand, een of andere natuurkundige van Stanford University,
zegt dat het rampzalig zou kunnen uitpakken als de muur ooit
verdwijnt.’
‘Hij is niet de eerste die dat zegt.’
‘Ja, nou, misschien niet. Maar wel de eerste Nobelprijswinnaar.
Hij denkt dat de muur een soort beschermlaag vormt over een
koepel vol antimaterie. Hij is bang dat het tot een explosie zou
kunnen leiden die de hele westelijke helft van de Verenigde Staten
zal wegvagen.’
Connie snoof laatdunkend. ‘Theorie nummer 8742.’
‘Klopt,’ zei Abana. Maar ze keek bang.
‘Dat gaat echt niet gebeuren,’ zei Connie stellig. ‘Wat er wél gaat
gebeuren, is dat die muur verdwijnt. En dat mijn zoon Sam en jouw
dochter Dahra samen over die weg komen wandelen.’
Abana glimlachte. Ze maakte hun uitgekauwde grap af. ‘En dat
ze ons dan zonder blikken of blozen voorbijlopen om bij Carl’s een
hamburger te halen.’
Connie pakte haar hand. ‘Zo is het. Dát gaat er gebeuren. Zo van:
“Hé mam, ik zie je zo: even naar Carl’s, hoor.”’
De vrouwen waren een tijdje stil. Ze deden hun ogen dicht en
keerden hun gezicht naar de zon.
‘Als we nou op de een of andere manier maar gewaarschuwd
waren,’ zei Abana.
Ze zei het wel vaker: ze vond het heel erg dat ze op de ochtend
voor het gebeurd was ruzie met haar dochter had gemaakt.
En net als altijd stond Connie op het punt om te zeggen: ik was
wél gewaarschuwd.
Ik was gewaarschuwd.
Maar ook dit keer, net als al die andere keren, hield Connie Temple
haar mond.
Een
65 uur, 11 minuten
Ze droeg een spijkerbroek en een flanellen ruitjesbloes over een
veel te groot zwart T-shirt.
Een leren riem was twee keer rond haar middel geslagen. Het
was een mannenriem, eentje voor grote mannen welteverstaan.
Maar hij was stevig en sterk genoeg voor het gewicht van haar
revolver, haar machete en haar waterfles.
Haar rugzak was vies en rafelde bij de naden, maar hij hing lekker
om haar magere schouders. In de rugzak zaten drie kostbare
vacuümverpakkingen gedroogde macaroni, die ze op afgelegen
kampeerplekken had opgeduikeld. Je hoefde er alleen maar wa -
ter overheen te gieten. Daarnaast bevatte de tas het grootste gedeelte
van een gebraden duif in een Tupperware-bakje, een stuk
of tien bosuitjes, een potje vitaminepillen – ze mocht er van zichzelf
om de drie dagen een nemen – en potlood en papier, drie boeken,
een klein zakje hasj en een pijpje, naald en draad, twee aanstekers
en een extra waterfles. Ze had ook een eerstehulpetuitje
met een paar pleisters, een halflege tube antibioticazalf, twaalf
kostbare paracetamoltabletten en nog veel en veel kostbaardere
tampons.
Astrid Ellison was veranderd.
Haar blonde haar was kort en lomp afgesneden met een mes,
zonder hulp van een spiegel. Haar gezicht was diepbruin. Haar
handen waren eeltig en zaten onder de littekens door de ontelbare
wondjes van alle mosselen die ze had opengewrikt. Eén vingernagel
was helemaal afgescheurd toen ze op een steile klif was uitgegleden
en zichzelf alleen had kunnen redden door als een bezetene
naar de rotsen en struikjes te klauwen.
Astrid zwaaide de rugzak van haar schouders, maakte het trekkoord
los en haalde een paar zware mannenhandschoenen tevoorschijn.
Ze speurde de bramenstruik af naar rijpe vruchten. De bramen
werden niet allemaal tegelijk rijp, en ze mocht ze van zichzelf alleen
plukken als ze echt helemaal paars waren. Dit was háár bramenstruik,
de enige die ze had ontdekt, en ze was vastbesloten
om niet te gulzig te zijn.
Astrids maag knorde terwijl ze met de vreselijk scherpe doornen
worstelde – zo scherp dat ze soms recht door haar handschoenen
gingen – en de bramen lostrok. Ze plukte er vijfentwintig: het toet -
je voor straks.
Ze stond aan de noordgrens van de FAKZ, waar de muur door het
nationale park sneed. De bomen – sequoia’s, zwarte eiken, populieren,
essen – waren hier heel hoog. Sommige werden doormidden
gesneden door de muur. Op sommige plekken groeiden er takken
de muur in. Ze vroeg zich af of die er aan de andere kant weer uit
kwamen.
Ze was niet ver landinwaarts, zo’n vijfhonderd meter van de
kust, waar ze vaak naar oesters, kokkels, mosselen en krabbetjes zo
groot als kakkerlakken zocht.
Astrid had bijna altijd honger. Maar ze zou er niet aan doodgaan.
Water was een groter probleem. Ze had een watertank gevonden
bij het opzichterscentrum en een klein stroompje schoon zoet water
ontdekt dat ergens uit de grond leek te komen, maar beide bronnen
waren ver van haar kampement verwijderd. En aangezien water
erg zwaar was om te dragen, mocht ze geen druppel verspillen
en…
Een geluid.
Astrid dook in elkaar, zwaaide haar jachtgeweer van haar schouder,
hief het en keek langs de dubbele loop, allemaal in één vloeiende,
routineuze beweging.
Ze luisterde. Ingespannen. Ze hoorde haar hart bonken en probeerde
het uit alle macht rustiger te laten worden, rustig, stil, zodat
ze kon luisteren.
Haar ademhaling was gejaagd, maar ze kreeg hem enigszins
onder controle.
Ze keek langzaam rond, draaide haar bovenlichaam naar rechts
en weer terug, speurde de bomen af waar het geluid volgens haar
vandaan was gekomen. Ze spitste haar oren naar alle kanten.
Niets.
Geluid!
Dorre bladeren en vochtige aarde. Niet zwaar, wat het ook was.
Het was geen zwaar geluid. Geen Drake-geluid. Zelfs geen coyote.
Astrid ontspande zich een beetje. Haar schouders waren stijf. Ze
liet ze even naar achteren rollen, in de hoop dat ze geen kramp zou
krijgen.
Er schoot iets kleins weg. Een buidelrat of een stinkdier of zo.
Niet Drake.
Niet het monster met zijn tentakelarm. Niet de sadist. De psychopaat.
De moordenaar. Zweephand.
Astrid ging rechtop staan en hing het geweer weer op haar rug.
Hoeveel keer per dag werd ze door deze angst overmand? Hoeveel
ontelbare keren had ze de bomen, de struiken of de rotsen
afgespeurd naar dat smalle gezicht met de doodse blik? Dag en
nacht. Als ze zich aankleedde. Als ze kookte. Als ze boven de greppel
zat. Als ze sliep. Hoe vaak? En hoe vaak had ze in gedachten
met de dubbele loop van het jachtgeweer recht in dat gezicht geschoten
en zijn gelaatstrekken uitgewist terwijl het bloed alle kanten
op spoot?
Ze kon de ene na de andere kogel in zijn lijf pompen en dan nog
zou zij degene zijn die hijgend op de vlucht sloeg en huilend door
het bos struikelde, in de wetenschap dat ze hem op geen enkele
manier zou kunnen tegenhouden.
Het kwaad dat niet gedood kon worden.
Het kwaad dat haar vroeg of laat zou komen halen.
Met haar bramen veilig weggestopt in haar rugzak liep Astrid
terug naar haar kamp.
Het kamp bestond uit twee tenten: een vaalgele waarin ze sliep,
en een groene met bruine naden waarin ze alle oneetbare spullen
opsloeg die ze op de diverse kampeerterreinen, in de opzichterscentra
en rond de afvalhopen in het Stefano Rey bij elkaar had
gescharreld.
Zodra ze bij de tenten was, stopte Astrid haar bramen en de rest
van het voedsel dat ze had meegenomen in een rood-witte koelbox.
Ze had een gat gegraven langs de muur waar de koelbox precies in
paste.
Ze had veel geleerd in de vier maanden sinds de dag waarop ze
alles en iedereen had achtergelaten en in het bos was gaan wonen.
Een van die dingen was dat dieren de muur meden. Zelfs de insecten
bleven op een meter afstand. Door haar eten vlak naast die
bedrieglijke, parelgrijze muur op te slaan, wist ze zeker dat haar
voorraad veilig was.
Het was ook veiliger voor haar. Door hier te kamperen, vlak bij
de muur en de rand van de klif, hadden roofdieren minder mogelijkheden
om haar te besluipen.
Ze had een draad rond het kamp gespannen, met roestige blikjes
eraan en flessen waar ze knikkers in had gestopt. Als er iets tegen
de draad kwam, zou het een hels kabaal geven.
Ze kon niet zeggen dat ze zich ook veilig vóélde. Een wereld
waarin Drake hoogstwaarschijnlijk nog steeds in leven was kon
met geen mogelijkheid veilig zijn. Maar ze voelde zich hier niet
minder veilig dan in de rest van de FAKZ.
Astrid plofte op haar nylon kampeerstoel, legde haar vermoeide
voeten op een tweede stoel en sloeg een boek open. Het leven
draaide nu haast volledig om de constante zoektocht naar eten, en
zonder lamp had ze alleen vlak voor zonsondergang nog een uurtje
tijd om te lezen.
Het was een prachtige locatie, op een steile klif boven de oceaan.
Maar ze draaide haar rug naar de ondergaande zon om de rode
stralen op de bladzijden te laten vallen.
Het boek heette Hart der duisternis.
Ik probeerde die betovering te verbreken – de zware, zwijgende betovering
van de wildernis, die hem naar haar meedogenloze boezem leek te
roepen door vergeten, beestachtige instincten wakker te schudden, door
de herinnering aan bevredigde, monsterlijke verlangens. Ik was ervan
overtuigd dat dit het enige was wat hem naar de rand van het bos had
gedreven, naar het struikgewas, naar de flakkerende vuren, de bonkende
trommels, de dreunende, raadselachtige bezweringen. Dit was het enige
wat zijn onwettige ziel voorbij de grenzen van de geoorloofde idealen had
gelokt.
Astrid keek op naar de bomen. Haar kamp stond op een kleine
open plek, maar de bomen kwamen aan twee kanten heel dichtbij.
Ze waren hier bij de kust niet zo immens hoog als meer landinwaarts.
Het leken vriendelijkere bomen dan de bomen diep in
het woud.
‘“De zware, zwijgende betovering van de wildernis”,’ las Astrid
hardop.
Voor haar betekende die betovering vergetelheid. Het zware
leven dat ze nu leidde was minder zwaar dan het leven dat ze in
Perdido Beach had achtergelaten. Dat was de echte wildernis. Maar
daar had ze vergeten, beestachtige instincten wakker geschud.
Hier probeerde alleen de natuur haar uit te hongeren, haar botten
te breken, haar te verwonden en te vergiftigen. De natuur was
genadeloos, maar niet kwaadwillig. De natuur haatte haar niet.
De natuur had haar niet gedwongen haar broertje te offeren.
Astrid deed eerst haar ogen en toen het boek dicht en probeerde
de golf van emoties die haar overspoelde te bedwingen. Wroeging
was een fascinerend iets: het leek niet af te nemen met de tijd. Het
leek juist sterker te worden terwijl de herinneringen aan het gebeurde
zelf vervaagden en de angst en noodzaak die ze toen had
gevoeld abstracter werden. Alleen haar eigen daden stonden haar
nog kristalhelder voor de geest.
Ze had haar zieke, gekke broertje naar de enorme, afschuwelijke
beesten gegooid die een gevaar voor haar en alle andere mensen in
de FAKZ vormden.
Haar broertje was verdwenen.
En de beesten ook.
Het offer had gewerkt.
Toen zei God: ‘Roep je zoon, je enige, van wie je zoveel houdt, Isaak, en ga
met hem naar het gebied waarin de Moria ligt. Daar moet je hem offeren
op een berg die ik je wijzen zal.’
Alleen had er bij haar geen liefdevolle God ingegrepen om de
moord te voorkomen toen hij merkte dat ze ontzag voor hem had.
Om de doodeenvoudige reden dat er geen liefdevolle God wás.
Ze schaamde zich dat het zo lang had geduurd voordat ze dat
had ingezien. Ze was tenslotte wel Astrid het Genie. Die bijnaam
had ze jaren gehad. En toch had Sam, die bij alles wat met godsdienst
te maken had onverschillig zijn schouders ophaalde, veel
dichter bij de waarheid gezeten.
Welke idioot kon naar de wereld kijken – en dan vooral naar
deze verschrikkelijke wereld van de FAKZ – en in God geloven? Een
God die daadwerkelijk oplette en om zijn scheppingen gaf?
Ze had Kleine Pete vermoord.
Vermoord. Ze wilde het niet met een mooi woord verbloemen.
Ze wilde dat het pijn deed. Ze wilde dat het woord als schuurpapier
over haar rauwe geweten kraste. Ze wilde dat afschuwelijke
woord gebruiken om de laatste restjes van Astrid het Genie uit te
wissen.
Het was maar goed dat ze had besloten dat er geen God was,
want als hij er wel was zou ze voor eeuwig in de hel moeten
branden.
Astrids handen beefden. Ze legde het boek plat op haar schoot
en haalde het zakje hasj uit haar rugzak. Ze praatte haar drugsgebruik
goed door te zeggen dat ze anders niet kon slapen. In de gewone
wereld zou ze misschien slaappillen voorgeschreven krijgen.
En daar was toch ook niks mis mee?
En ze moest slapen. Om te jagen en te vissen moest ze vroeg op
en ze had haar slaap hard nodig.
Ze pakte de aansteker en bracht de vlam naar de kop van het
pijpje. Twee trekjes: dat was de regel. Twee maar.
Toen aarzelde ze. Een flits van een herinnering. Er trok iets aan
haar onderbewustzijn om haar te waarschuwen dat ze iets belangrijks
over het hoofd had gezien.
Astrid fronste haar wenkbrauwen en ging haar stappen na. Ze
legde de hasj en het boek weg en liep terug naar haar ondergrondse
voedselvoorraad. Ze trok de koelbox omhoog. Het was
te donker om in het gat te kunnen kijken, dus ze besloot om een
paar kostbare seconden batterij op te offeren en knipte een zak -
lampje aan.
Ze knielde neer en toen zag ze het. Drie zijden van het gat werden
gevormd door aarde, de vierde door de muur. Er bleef nooit
iets plakken aan de muur. Nooit. En toch plakten er nu een paar
klompjes aarde aan.
Astrid pakte haar mes en prikte naar de klompjes, tot ze in het
gat vielen.
Verbeeldde ze het zich? De muur in het gat zag er anders uit. Hij
leek niet langer zacht te gloeien. Hij was donkerder. De schijndoorzichtigheid
was verdwenen. Nu leek hij mat. Zwart.
Ze trok de scherpe punt van haar mes over de muur, van boven
het gat naar beneden.
Het was een heel subtiel, nauwelijks waarneembaar verschil.
Maar de punt gleed zonder enige weerstand over het oppervlak tot
hij bij het donkere gedeelte kwam, waar hij een beetje bleef hangen.
Niet veel. Een piepklein beetje maar. Alsof hij van gepolijst glas
naar geborsteld staal overging.
Ze deed de zaklamp uit, stond op en haalde diep en bibberig
adem.
De muur veranderde.
Astrid deed haar ogen dicht en bleef heel lang zacht wiegend
staan.
Ze zette de koelbox terug in het gat. Ze moest tot zonsopgang
wachten om het beter te kunnen zien. Maar ze wist wat ze al gezien
had. Het begin van het eindspel. En ze kende nog steeds de spel -
regels niet.
Astrid stak de pijp aan, inhaleerde diep en nam een paar minuten
later nog een lange trek. Ze voelde hoe haar gevoelens wazig
en minder scherp werden. Het schuldgevoel vervaagde. En binnen
een halfuur trok de slaap haar de tent in, waar ze in haar slaapzak
kroop en zich opkrulde met haar armen om het jachtgeweer.
Astrid giechelde. Dus ze hoefde niet naar de hel. De hel kwam
naar haar.
Op die laatste avond zou de duivel Drake haar vinden.
Ze zou ervandoor gaan. Maar nooit snel genoeg.



