Sneak Preview: ‘Schuilplaats’ van Harlan Coben
5 juli komt bij uitgeverij Boekerij Schuilplaats uit, de eerste Young Adult thriller van Harlan Coben. Harlan Coben debuteerde met Play Dead in 1990, maar werd in de Verenigde Staten echt beroemd met zijn serie thrillers met een vast hoofdpersoon: Myron Bolitar. Hij was de eerste auteur die alle grote Amerikaanse thrillerprijzen op zijn naam schreef – een schrijver die zijn sporen wel heeft verdiend dus! De Myron Bolitar boeken zijn inmiddels ook allemaal in Nederland verschenen. Schuilplaats kent weer de hoofdpersoon waar Harlan Coben zijn roem mee verwierf. Meet Myron Bolitar!
Dat Myron Bolitar een niet al te goede relatie met zijn broer had, was voor de fans al duidelijk. Dus wat moet hij als zijn neefje Mickey onder zijn toezicht wordt geplaatst? Voor Mickey Bolitar kan het leven niet veel ellendiger worden. Nadat hij zijn vader heeft zien sterven en zijn moeder in een afkickkliniek is opgenomen, moet hij bij zijn wereldvreemde oom Myron gaan wonen en tot overmaat van ramp moet hij ook nog naar een andere school!
Een nieuwe school betekent nieuwe vrienden en nieuwe vijanden. Gelukkig voor Mickey betekent het ook een fantastische nieuwe vriendin, Ashley. Het lijkt erop dat Mickeys leven eindelijk weer in de lift zit - totdat Ashley spoorloos verdwijnt. Maar Mickey is niet van plan om nog iemand kwijt te raken en besluit Ashleys spoor te volgen. Zijn zoektocht leidt hem naar een huiveringwekkende onderwereld en hij komt erachter dat Ashley niet is wie ze beweerde te zijn. En datzelfde geldt voor zijn overleden vader. Al snel ontdekt Mickey een samenzwering die zo schokkend is dat zijn schoolzorgen erbij in het niets vallen. Het leven zoals hij dat kende, komt volledig op losse schroeven te staan…
5 juli is het nog wel even niet, maar Crimezone kreeg, net zoals bij Aanval, alvast een drukproef en laat je alvast een stukje lezen.
Ik liep naar school, zwelgend in zelfmedelijden –
mijn vader was dood, mijn moeder zat in een afkickkliniek
en mijn vriendin was verdwenen – toen ik
voor het eerst het vleermuisvrouwtje zag.
Ik had de geruchten natuurlijk wel gehoord. Het
vleermuisvrouwtje zou in het vervallen huis op de hoek
van Hobart Gap Road en Pine wonen – je kent het wel.
En nu stond ik voor het hek. De dof geworden gele verf
bladderde als een hond met schurft. Het ooit massief betonnen
tuinpad was in stukjes gebarsten ter grootte van
een kwartje. En in het ongemaaide gras stonden de paardenbloemen
zo hoog dat je er bij wijze van spreken
schommels in kon hangen.
Er werd van het vleermuisvrouwtje gezegd dat ze
honderd jaar oud was en alleen ’s nachts buiten kwam,
en als er eens een kind na een middagje spelen bij een
vriendje of een training op het honkbalveldje niet voor
het vallen van de avond thuis was gekomen – als hij of
zij het had gewaagd om in het donker naar huis te lopen
in plaats van met iemand mee te rijden, of misschien
zelfs zo gek was geweest om een stuk af te snijden door
haar tuin – dan had het vleermuisvrouwtje hem of haar
te pakken gekregen.
Wat ze dan met je deed werd er nooit bij gezegd. Er
was in dit stadje al in geen jaren meer een kind verdwenen.
Tieners wel, zoals mijn vriendin Ashley, die hielden
de ene dag je hand vast en keken je in de ogen zodat
je hart boem-boem-boem deed, en de volgende dag
waren ze ineens spoorloos verdwenen. Maar kleine kinderen?
Nope. Die waren veilig, zelfs voor het vleermuisvrouwtje.
Ik stond dus op het punt om over te steken – zelfs ik,
al ruim in mijn tienerjaren, aan het begin van mijn tweede
jaar op een gloednieuwe middelbare school, meed
dat griezelige huis als de pest – toen de deur knarsend
openging.
Ik verstijfde.
Heel even gebeurde er niets. De deur stond helemaal
open, maar er was niemand te zien. Ik bleef staan om te
kijken. Misschien knipperde ik met mijn ogen. Ik weet
het niet.
Maar toen ik weer keek, zag ik het vleermuisvrouwtje.
Ze was misschien wel honderd. Of tweehonderd. Ik had
er geen idee van waarom ze haar het vleermuisvrouwtje
noemden. Ze leek helemaal niet op een vleermuis. Ze
had lang, grijs hippiehaar tot aan haar middel. Het waaide
op in de wind en verhulde haar gezicht. Ze droeg een
gescheurd wit gewaad dat op een bruidsjurk uit een oude
horrorfilm of een heavy-metalvideo leek. Haar ruggengraat
was zo krom als een vraagteken.
Langzaam bracht het vleermuisvrouwtje een hand
omhoog, die zo bleek was dat hij eerder aderblauw was
dan blank, en ze wees met een bevende, knokige vinger
in mijn richting. Ik zei niets. Ze bleef wijzen totdat ze zeker
wist dat ik keek. Toen verscheen er een glimlach op
haar gerimpelde gezicht; een glimlach die me het gevoel
gaf dat er kleine ijspegeltjes in mijn rug prikten.
‘Mickey?’
Ik had er geen idee van hoe ze mijn naam kende.
‘Je vader is niet dood,’ zei het vleermuisvrouwtje.
Haar woorden veroorzaakten zo’n schok dat ik een
stap naar achteren deed.
‘Hij is springlevend.’
Maar terwijl ik haar het vervallen huis weer binnen
zag gaan, besefte ik dat het onmogelijk waar kon zijn
wat ze had gezegd.
Want ik had mijn vader met mijn eigen ogen zien sterven.
Oké, dat was bizar.
Ik stond voor het huis van het vleermuisvrouwtje en
wachtte totdat ze weer naar buiten zou komen. Maar dat
gebeurde niet. Ik liep naar haar deur en zocht naar een
bel. Er was geen bel, en ik begon op de deur te bonzen.
Die rammelde onder het geweld. Het hout was ruw als
schuurpapier, en ik haalde mijn vingers eraan open. Er
vielen verfschilfers af, alsof de deur last had van roos.
Maar het vleermuisvrouwtje kwam niet meer tevoorschijn.
Wat nu? De deur intrappen... en dan? Van een oud
vrouwtje in een rare witte jurk eisen dat ze haar kletspraatjes
zou toelichten? Misschien was ze wel naar boven
gegaan. Misschien maakte het vleermuisvrouwtje
zich wel op voor een nieuwe dag, stapte ze uit haar witte
jurk en liep naar de douche...
Ugh.
Tijd om door te lopen. Ik wilde de eerste bel niet mis-
sen. Bij mijn klassenleraar, meneer Hill, moest je echt
op tijd komen. En ik hoopte nog steeds dat Ashley vandaag
weer gewoon op school zou zijn. Ze was spoorloos
verdwenen. Misschien zou ze ook weer uit het niets tevoorschijn
komen.
Ik had Ashley drie weken geleden leren kennen tijdens
de oriëntatiedag voor nieuwelingen (Ashley en ik)
en eersteklassers, die elkaar allemaal al kenden omdat
ze op dezelfde basisschool hadden gezeten en nu gezamenlijk
naar dezelfde middelbare school gingen. Er
scheen hier nooit iemand te verhuizen.
Een oriëntatiedag zou moeten bestaan uit een gesprekje
met je leraren, een rondleiding door de school
en misschien een ontmoeting met wat klasgenoten.
Maar nee, dat was niet genoeg. We moesten van die belachelijke,
vernederende en supergênante teambuildingsoefeningen
doen.
De eerste was de ‘laat je achterovervallen’. Mevrouw
Owens, een gymlerares met een glimlach die eruitzag
alsof hij erop was geschilderd door een dronken clown,
begon met een poging om ons op te peppen.
‘Goeiemorgen, allemaal!’
Wat gegrom.
Vervolgens – ik heb er zo de pest aan als volwassenen
dat doen – riep ze: ‘Ik weet zeker dat er veel meer enthousiasme
in jullie zit, dus we proberen het nog een
keer! Goeiemorgen, iedereen!’
De leerlingen riepen nu harder ‘Goeiemorgen,’ niet
omdat ze ineens zo gemotiveerd waren, maar omdat ze
er vanaf wilden zijn.
We werden opgesplitst in groepjes van zes – in dat
van mij zaten drie eersteklassers en drie ouderejaars die
pas in de stad waren komen wonen.
‘Een van jullie gaat op deze verhoging staan met een
blinddoek voor!’ riep mevrouw Owens uit. Alles wat ze
zei eindigde in een uitroepteken. ‘Doe je armen over elkaar.
En nu wil ik dat je doet alsof de verhoging in brand
staat! O, nee!’ Mevrouw Owens bracht haar handen
naar haar wangen als dat joch uit Home Alone. ‘Het is zó
heet dat je je alleen nog maar achterover kunt laten vallen!’
Iemand stak een hand op. ‘Waarom moeten we onze
armen over elkaar houden als de verhoging in brand
staat?’
Instemmend geroezemoes.
De opgeschilderde glimlach van mevrouw Owens
veranderde niet, maar ik had de indruk dat ik een zenuwtrekje
bij haar rechteroog zag. ‘Jullie armen zijn
vastgebonden!’
‘Echt? Ik merk er niks van.’
‘Doe nou maar gewoon alsof!’
‘Maar als we toch doen alsof, waarom moeten we dan
die blinddoek voor? Kunnen we niet gewoon doen alsof
we niks zien?’
‘Of onze ogen dichtdoen?’
Mevrouw Owens had moeite het groepje onder controle
te houden. ‘De verhoging is zo heet door het vuur
dat je er achterover vanaf valt.’
‘Achterover?’
‘Kunnen we niet beter springen, mevrouw Owens?’
‘Wat een onzin. Waarom zouden we ons achterover
laten vallen? Ik bedoel, als het zo heet is.’
Mevrouw Owens had er genoeg van. ‘Omdat ik het
zeg! Je laat je gewoon naar achteren vallen! De rest van
de groep vangt je op! Daarna wisselen we zodat iedereen
zich een keer achterover kan laten vallen!’
We kwamen allemaal aan de beurt, hoewel sommigen
aarzelden. Ik ben een meter vierennegentig en weeg negentig
kilo. De anderen keken niet blij toen ze me zagen.
Een ander meisje in mijn groep, een aankomend
eersteklasser, was aan de dikke kant. Ik weet dat ik haar
eigenlijk iets anders dan dik zou moeten noemen – iets
wat politiek correcter is – maar ik zou niet weten wat
zonder minachtend te klinken. Fors? Mollig? Zwaar? Ik
zeg dat zonder waardeoordeel, net zoals ik klein, dun of
mager zou zeggen.
Het forse meisje aarzelde voordat ze op de verhoging
klom. Iemand in ons groepje lachte. En toen nog iemand.
Behalve dat het meisje ervan leerde dat wreedheid
niet stopt wanneer je naar de middelbare school gaat,
zag ik niet in hoe deze oefening ook maar iemand kon
helpen.
Toen het meisje zich niet direct achterover liet vallen,
gniffelde een van de jongens en zei: ‘Kom op, Ema. We
vangen je wel.’
Het was geen stem die haar geruststelde. Ze trok haar
blinddoek af en keek achterom. Ze liet haar blik even op
mij rusten, en ik knikte. Ten slotte liet ze zich vallen. We
vingen haar op – sommigen voegden er dramatisch gekreun
aan toe – maar Ema zag er niet uit alsof ze ineens
meer vertrouwen in de mensen had.
Daarna moesten we een of ander idioot paintballspel
doen waarbij twee mensen zich bezeerden, en toen volgde
een oefening die – ik zweer het – ‘Giftige pindakaas’
heette. Hierbij moest je een veldje met tien meter giftige
pindakaas oversteken, maar, zoals mevrouw Owens uitlegde:
‘Er mogen maar twee mensen tegelijk de antigifschoenen
aanhebben!’
Kortom, je moest andere teamleden op je rug naar de
overkant brengen. De kleine meisjes joelden en schaterden
terwijl ze werden gedragen. Er was een fotograaf
van de Star-Ledger die in het wilde weg plaatjes schoot.
De verslaggever stelde een stralende mevrouw Owens
allerlei vragen, en haar antwoorden bevatten vooral
woorden als een band scheppen, je thuis voelen en vertrouwen.
Ik kon me niet voorstellen wat voor verhaal je over
zoiets kon schrijven, maar misschien zaten ze te springen
om een artikel met wat human interest.
Ik stond achteraan in de rij voor Giftige pindakaas, samen
met Ema. Over haar gezicht liep zwarte mascara
vermengd met wat misschien stille tranen waren geweest.
Ik vroeg me af of de fotograaf het had gezien.
Naarmate Ema dichter bij het punt kwam waarop ze
door haar teamleden over de Giftige pindakaas zou worden
gedragen, kon ik letterlijk voelen hoe ze begon te
beven van angst.
Stel je voor.
Het is je eerste dag op een nieuwe school en je bent
een meisje dat negentig kilo weegt en je wordt gedwongen
een sportbroekje aan te trekken en aan een of ander
onnozel spelletje mee te doen waarbij je nieuwe slanke
klasgenootjes je tien meter op hun schouders moeten
dragen alsof je een biervat bent terwijl je het liefst onder
de dekens zou kruipen en dood zou gaan.
Wie vindt zoiets een goed idee?
Mevrouw Owens kwam naar ons team toe. ‘Klaar,
Emma?!’
Ema (uitgesproken als iemaa) of Emma. Wat was nu
eigenlijk haar naam?
Emma/Ema zei niets.
‘Kom op, meid! Over die Giftige pindakaas! Je kunt
het!’
Toen zei ik: ‘Mevrouw Owens?’
Ze keek me aan. De glimlach was onveranderd, maar
de ogen leken zich iets te versmallen. ‘En jij bent?’
‘Ik ben Mickey Bolitar. Ik ben een nieuwe tweedeklasser.
Ik doe deze oefening even niet mee als dat mag.’
Opnieuw een trilling in het rechteroog van mevrouw
Owen. ‘Pardon?’
‘Ja, ik heb denk ik niet echt zin om me te laten dragen.’
De andere leerlingen keken naar me alsof er een derde
arm uit mijn voorhoofd groeide.
‘Maar Mickey, je bent hier nieuw.’ Het uitroepteken
was uit de stem van mevrouw Owen verdwenen. ‘Je wilt
toch zeker gewoon meedoen?’
‘Is het verplicht?’ vroeg ik.
‘Pardon?’
‘Is het verplicht om aan deze oefening mee te doen?’
‘Eh, nee, het is niet ver...’
‘Dan doe ik niet mee.’ Ik keek naar Ema/Emma. ‘Ga
je mee?’
En vervolgens liepen we weg. Achter me hoorde ik de
wereld stilvallen. Een paar tellen later blies mevrouw
Owens op haar fluitje om de oefening te staken en te
melden dat het tijd was voor de lunch.
Toen we een paar meter verder waren, zei Ema/Emma:
‘Wow.’
‘Wat?’
Ze keek me recht in de ogen. ‘Je hebt het dikke meisje
gered. Je vindt jezelf vast geweldig.’
Vervolgens schudde ze haar hoofd en liep weg.
Ik wierp een blik achterom. Mevrouw Owens keek
ons na. Er lag nog steeds een glimlach op haar gezicht,
maar uit haar dreigende oogopslag bleek duidelijk dat ik
erin was geslaagd om op mijn eerste dag al een vijand te
maken.
De zon scheen onverbiddelijk. Ik liet hem maar schijnen
en sloot mijn ogen even. Ik dacht aan mijn moeder,
die binnenkort terug zou komen uit de afkickkliniek. Ik
dacht aan mijn vader, die dood en begraven was.
Ik voelde me vreselijk alleen.
De schoolkantine was gesloten – de school begon pas
weer over een paar weken – en we hadden zelf eten mee
moeten nemen. Ik kocht een broodje pittige kip bij Wilkes
Deli en ging in mijn eentje op een talud zitten dat
uitkeek over het honkbalveld. Ik stond op het punt om
een hap te nemen toen ik haar zag.
Ze was niet mijn type, hoewel ik eigenlijk helemaal
geen type heb. Ik had mijn hele leven in het buitenland
gewoond en gereisd. Mijn ouders werkten voor een liefdadigheidsinstelling
in landen als Laos en Peru en Sierra
Leone. Ik had geen broers of zussen. Het was spannend
en leuk geweest toen ik nog een kind was, maar het
werd vermoeiend en vervelend toen ik ouder werd. Ik
wilde op dezelfde plek blijven. Ik wilde vrienden hebben
en in een basketbalteam spelen en, nou ja, met
meisjes omgaan en tienerdingen doen. Dat is nogal lastig
als je met een rugzak door Nepal trekt.
Dit meisje was erg knap, maar ze zag er tegelijkertijd
stijf en netjes en een beetje kakkerig uit. Ze leek op een
bepaalde manier verwaand, hoewel ik niet goed kon
zeggen waar dat aan lag. Haar haar was witblond, als
van een porseleinen pop. Ze droeg een echte, nou ja,
rok – niet zo’n krankzinnig kort dingetje – en iets wat op
enkelsokken leek. Ze zag eruit alsof ze regelrecht was
weggelopen uit de Brooks Brothers-catalogus van mijn
grootouders.
Ik nam een hap van mijn sandwich en zag dat ze niets
te eten bij zich had. Misschien volgde ze een of ander
suf dieet, maar ergens geloofde ik dat niet.
Ik weet niet waarom ik het deed, maar ik besloot naar
haar toe te lopen, hoewel ik niet echt in de stemming
was om te praten of iemand te ontmoeten. Het duizelde
me van alle nieuwe mensen in mijn leven, en ik voelde
geen behoefte om de lijst nog langer te maken.
Misschien was het alleen omdat ze zo knap was. Misschien
was ik net zo oppervlakkig als andere jongens. Of
misschien was het omdat iemand die eenzaam is soms
andere eenzame mensen herkent. Misschien voelde ik
me tot haar aangetrokken omdat ze net als ik nogal in
zichzelf gekeerd leek.
Ik liep behoedzaam op haar af. Toen ik voldoende
dichtbij was, maakte ik een kort zwaaiend gebaar en zei:
‘Hoi.’
Ik heb altijd van die geweldige openingszinnen.
Ze keek op en toonde haar smaragdgroene ogen.
‘Hoi.’
Yep, heel knap.
En daar stond ik met mijn mond vol tanden. Ik voelde
dat ik begon te blozen, en mijn handen leken plotseling
te groot voor mijn lichaam. Het volgende wat ik tegen
haar zei was: ‘Ik heet Mickey.’
Wat een charmeur. Zoiets kon je wel aan mij overlaten.
‘Ik heet Ashley Kent.’
‘Cool,’ zei ik.
‘Ja.’
Ergens op aarde – in China of India, of in een of ander
afgelegen gebied in Afrika – liep vast wel een nog
grotere sukkel rond dan ik. Hoewel ik dat niet eens had
durven zweren.
Ik wees op haar lege schoot. ‘Heb jij geen lunch bij
je?’
‘Nee, vergeten.’
‘Ik heb een enorme sandwich,’ zei ik. ‘Wil jij de helft?’
‘Nee, joh, dat hoeft echt niet.’
Maar ik stond erop, en ze vroeg of ik naast haar wilde
komen zitten. Ashley was ook een tweedeklasser en
woonde ook nog maar pas hier. Ze vertelde dat haar vader
een bekende chirurg was. Haar moeder was advocate.
Als het leven een film was, zou je hier de muziek laten
opkomen – een of ander zoetsappig liedje. Ondertussen
zou je Ashley en mij zien eten, praten en lachen en vervolgens
bedeesd elkaars hand vastpakken – om de scène
ten slotte af te ronden met een eerste kuise kus.
Dat was drie weken geleden.
Nu haastte ik me het lokaal van meneer Hill in terwijl
de bel ging. Hij begon de namen af te roepen. De bel
ging opnieuw, en het was tijd voor de eerste les.
Ashley’s lokaal bevond zich aan de overkant van de
gang. Ik zag dat ze er weer niet was.
Ik heb Ashley eerder mijn vriendin genoemd. Dat
was misschien wat overdreven. Je zou kunnen zeggen
dat we het rustig aan deden. We hadden twee keer gezoend
– meer niet. Ik vond eigenlijk niemand leuk op
mijn nieuwe school. Alleen haar vond ik leuk. Het was
geen liefde, maar het was tenslotte ook nog heel pril.
Trouwens, dit soort gevoelens wordt over het algemeen
alleen maar minder. Daar verander je niks aan. We doen
altijd alsof onze liefde zich steeds verder verdiept naarmate
we onze partner beter leren kennen. Maar meestal
gebeurt het tegenovergestelde. Als je als jongen een
knap meisje leert kennen, kun je zo stapelverliefd raken
dat je het er benauwd van krijgt en het liefst alleen nog
maar bij haar bent. Dat is dan ook meestal de reden
waarom het niks wordt.
Als je haar op een of andere manier toch voor je weet
te winnen, beginnen de vlinders al snel weer te verdwijnen.
Maar bij Ashley merkte ik juist dat ik me steeds
sterker tot haar aangetrokken ging voelen. Dat was een
beetje beangstigend, zij het op een goede manier.
En toen kwam ik op een dag op school en was Ashley
er niet. Ik probeerde haar te bellen op haar mobieltje,
maar ze nam niet op. De volgende dag was ze er ook
niet. En de dag erna hetzelfde liedje. Ik wist niet wat ik
moest doen. Ik wist niet eens waar ze woonde. Ik zocht
op Kent op internet, maar waarschijnlijk hadden ze een
geheim nummer. Sterker nog: er was online helemaal
niets over haar te vinden.
Ashley was gewoon in rook opgegaan.



