De zegen van het gebroken zijn (deel 1)

01/05/2004
Kort verhaal

Onlangs verscheen de verhalenbundel Vervloekt geluk, samengesteld door Karin Slaughter. Exclusief bij Crimezone een compleet kort verhaal van Slaughter in twee delen. Hieronder het eerste deel.

Door Karin Slaughter

Mary Lou Dixon zat in de voorste kerkbank en keek op naar het kruis, dat boven de preekstoel hing en langzaam werd neergehaald. Terwijl ze aan de armband om haar pols friemelde, nam het kruis steeds grotere proporties aan naarmate het als een geknakte vogel verder naar beneden zakte, terwijl het toch zo klein had geleken toen het nog vlak onder het plafond had gehangen.
‘Even zo houden,’ zei de ploegbaas, en de drie mannen die de takels bedienden stopten. Het kruis schommelde in de lucht heen en weer, en de gebroken rechterarm, die nog maar aan een paar houtsplinters bengelde, tikte onheilspellend tegen de zijkant. Het geluid deed Mary Lou aan een klok denken, die de tijd wegtikte.
‘Rustig aan,’ beval de ploegbaas, zijn woorden met zijn handen onderstrepend. Hij was de enige van de ploeg van vier die Engels sprak, en het duurde even voor de Mexicanen zijn aanwijzingen snapten. Maar uiteindelijk schenen ze hem te begrijpen, want het kruis zette zijn tocht naar de vloer weer voort en werd ten slotte heel voorzichtig op het tapijt gelegd. De Mexicanenknielden neer en Mary Lou vroeg zich af of dat eigenlijk wel gepast was in de Christ Holiness Baptist Church, een baptistenkerk in Elawa, Georgia. Het kruis was een eenvoudig houten geval, zonder Jezus, maar prachtig gepolitoerd zodat het glansde in de ochtendzon. Je kon het nauwelijks vergelijken met het opgesmukte icoon dat door de meeste katholieken werd aanbeden, of hoe je het ook noemde wat katholieken deden – eigenlijk had Mary Lou geen idee wat katholieken deden. Ze hoorde al twintig jaar bij de Christ Holiness, en daarvoor bij de Lord and Saviour, wat twee trapjes lager was dan de Primitive Baptist, en één trapje hoger dan doe lui die slangen opnamen.
Hoewel de gemeente behoorlijk wat aannemers onder haar leden telde, had niemand van hen aangeboden het kapotte kruis te repareren. Bob Harper, die al tien jaar diaken was, had een eigen bouwbedrijf, maar niettemin was hij meer dan vijfhonderd dollar duurder dan deze zwarte man en zijn ploeg. Het was een karweitje van niks, zonde van zijn tijd, had hij gezegd. Mary Lou had hierop geantwoord dat ze blij was dat Jezus er niet zo over had gedacht toen hij voor Bobs zonden stierf, maar de diaken liet zich door haar opmerking niet op andere gedachten brengen. Er zat voor Mary Lou dus niets anders op dan deze zwarte ploegbaas en zijn katholieke Mexicanen zover te krijgen dat ze het kruis nog voor paaszondag – en tegen aanzienlijke kosten – repareerden, zonder enige hulp van de competentere leden van de gemeente. Dat soort zaken was de laatste tijd typerend voor de kerk. Het was allang niet meer zo dat men met liefde en geheel vrijwillig de telkens terugkerende onderhoudsklusjes verrichtte of brochures verzond met het verzoek om geld te schenken voor de zending. Niemand ging meer bij de zieken in het ziekenhuis op bezoek. Niemand wilde meer op bijbelretraite als er geen zwembad en vierentwintig uur per dag room service bij was. De laatste twee antiabortusdemonstraties in Atlanta waren afgelast omdat er regen was voorspeld, en denk maar niet dat iemand buiten in de regen wilde staan.
‘Mevrouw Dixon?’ vroeg de zwarte man. Ze herinnerde zich dat hij Jasper Goode heette. Hij was een wat oudere man met een zeer donkere huid en een kaal hoofd, dat ondanks de airconditioning in de kerk overmatig zweette. Mary Lou vertrouwde dat overdreven gezweet niet, het gaf hem iets stiekems. De hele ochtend had hij alleen maar bevelen staan uitdelen aan de werkploeg, en toch zweette hij alsof hij net de marathon had gelopen.
‘Mevrouw?’ drong hij aan.
‘Ja?’ antwoordde Mary Lou, en ze ging verzitten op de harde bank. Haar buik speelde op en kalmerend legde ze haar hand erop. Jasper liep de trap langs het podium af en kwam naar haar toe. Op nog geen meter van haar vandaan bleef hij staan en keek op haar neer. Mary Lou rechtte haar schouders en dwong zichzelf stil te blijven zitten. Hij was een grote man en daarvan was hij zich ook bewust. Onwillekeurig sloeg ze haar blik neer, maar toen vatte ze weer moed en keek hem aan.
‘Neemt u me niet kwalijk,’ zei hij, en glimlachend liet hij zich pal voor haar op één knie zakken.
‘Wat is er?’ snauwde ze, hoewel ze besefte dat dat nergens op sloeg. Eigenlijk vond ze het helemaal niet prettig dat hij zo dicht bij haar was. Alleen al zijn aanblik was meer dan ze kon verdragen. De man was ooit ernstig verbrand geweest en van dichtbij was zijn gezicht één grote, synthetisch uitziende puinhoop; op sommige plekken zat zijn huid onnatuurlijk strak en het pigment op zijn wangen was een lappendeken van uiteenlopende huidtinten, alsof iemand zijn gezicht weer aan elkaar had genaaid met allemaal verschillende lappen vlees. Wenkbrauwen of wimpers had hij niet, en zijn ogen keken permanent geschrokken de wereld in. Zijn handen waren ook verminkt, en de huid die zich rond zijn polsen had opgehoopt, deed denken aan een afgezakte sok.
Zelfs met deze hitte droeg hij nog lange mouwen, die hij bij zijn polsen strak had vastgeknoopt om – zo vermoedde Mary Lou – iets nog gruwelijkers te verhullen. Hij zei iets tegen de werklui en ze probeerde niet te kijken terwijl hij sprak. Het alleropmerkelijkste aan zijn verschijning waren zijn lippen – ze hadden een onnatuurlijke kleur, als het felle roze van een muizenneus, en zagen er kwetsbaar uit. Je zou ze eerder bij een meisje verwachten dan bij een oude zwarte man met een zo goed als haarloos gezicht. Er lag een permanente glans over die lippen, alsof ze nog maar kortgeleden speciaal voor hem waren gemaakt.
Mary Lou had op tv een kinderoor gezien dat op de rug van een levende muis groeide, zomaar uit het niets. Ze vroeg zich af of de lippen van de man onder vergelijkbare omstandigheden waren ontstaan. De brandwonden waren iets waar je niet omheen kon. Bij hun eerste ontmoeting had de zwarte man ongevraagd aan Mary Lou uitgelegd dat hij een auto-ongeluk had gehad. De auto was in brand gevlogen en zijn vrouw en kind waren in de vlammen omgekomen. Zelf had hij het er amper levend afgebracht, en de operaties die hij daarna had ondergaan, hadden wel zijn lichaam genezen, maar niet zijn hart; hij zei dat hij nog steeds geplaagd werd door de herinneringen aan die avond, en dat hij zich zijn eigen rol bij de dood van zijn vrouw en kind nooit zou kunnen vergeven, laat staan dat hij het ooit zou vergeten. Dronken, vermoedde Mary Lou, maar ze zei niets.
‘We laten het hier liggen, en na de middag nemen we het mee naar het parkeerterrein,’ liet Jasper Goode haar weten. Toen Mary Lou met enige nadruk op haar horloge keek, voegde hij eraan toe:
‘Op een volle maag werken ze beter.’
‘Ongetwijfeld,’ antwoordde Mary Lou, en ze hoopte dat hij het ongenoegen in haar toon oppikte.
‘Dat ding ziet er minder slecht uit dan ik had gedacht,’ zei de zwarte man, alsof het kruis een auto was en niet het symbool van Jezus’ offer.
‘Nou, mooi dan,’ was haar reactie, en ze vroeg zich af of het nu ook minder zou gaan kosten. Ze betwijfelde het. Alsof hij haar gedachten kon lezen, zei hij snel:
‘Maar het wordt toch nog een hele klus.’
‘U hebt beloofd dat het zondag klaar zou zijn,’ memoreerde Mary Lou en ze probeerde haar stem niet te laten beven. Ze vond Jasper Goode niet het type dat ’s zondags naar de kerk ging, en als het aan Mary Lou had gelegen, had ze Bob Harper ingehuurd. Vijfhonderd dollar was eigenlijk niet veel als je er iemand voor kreeg die alle belang had bij zijn eigen verlossing. Jasper staarde haar aan.
‘Nog bedankt, mevrouw, dat u mij dit karwei hebt gegeven. Ik krijg niet zo gemakkelijk werk tegenwoordig, en ik ben er erg blij mee.’ Ze knikte, lichtelijk uit het veld geslagen door zijn bekentenis. Jasper bleef haar aankijken.
‘U voelt zich toch wel goed, mevrouw?’
‘Ja hoor, vooral als het kruis straks gemaakt is,’ deelde ze hem mee. Hij trok een grimas die voor een glimlach moest doorgaan.
‘Dat komt voor elkaar,’ verzekerde Jasper haar. Hij haalde een witte zakdoek te voorschijn en veegde ermee over zijn zwetende kale kop. Hij zei iets in het Spaans tegen de werklui, die zich rap uit de voeten maakten, met een grotere voortvarendheid dan ze tot nu toe bij hun werk aan de dag hadden gelegd. Weer verschoof Mary Lou op de bank in een poging een gemakkelijker houding aan te nemen. Haar kantoor was boven de oude kapel, inmiddels een sportschool, en de airconditioning daar liet veel te wensen over. Ze kon zich niet nog een vrije dag veroorloven, anders was ze vandaag gewoon thuisgebleven. Ze slaakte een diepe zucht en staarde naar de preekstoel. De lege plek waar het kruis had gehangen, gaf de kerk iets hols, alsof het hart uit de romp was gehaald. Het was een raadsel hoe het kruis beschadigd was geraakt.
Op een zondag had een gemeentelid opgemerkt dat het kruis er
‘raar’ bij hing, en Mary Lou en dominee Stephen Riddle waren na de dienst weer naar binnen gegaan en hadden ernaar gekeken tot hun nek zowat knakte.
Het kruis helde duidelijk naar één kant over, maar van beneden af hadden ze niet kunnen zien wat de oorzaak was. Een week later zat Mary Lou in het kerkkantoor brieven in enveloppen te stoppen toen Randall, de koster, binnen kwam stormen en iets mompelde over een teken van God. Het was niet voor het eerst dat Randall, wiens eigen moeder er ronduit voor uitkwam dat hij niet helemaal goed snik was, beweerde dat hij door visioenen werd bezocht, maar Mary Lou was toch met hem mee naar de kerk gegaan, al was het alleen maar om even haar benen te strekken. Daar aangekomen zagen ze dat het kruis bijna scheef hing, en dat de dikke kabels waarmee het aan het plafond was bevestigd, trilden alsof ze onder grote druk stonden.
Terwijl Mary Lou en Randall daar stonden, klonk er een enorm gekraak, dat de hele ruimte vulde, gevolgd door een zacht en akelig gekreun, alsof Jezus zelf aan het kruis hing en zijn arm van zijn lichaam werd gerukt. Ze zag het nog steeds in slowmotion voor zich: de arm die van het kruis brak, de kabels die kronkelden en draaiden toen het gewicht zich verplaatste. Soms hoorde ze ’s nachts nog steeds het afschuwelijke, zachte gekreun van brekend hout en dan begon ze hevig te zweten, in de wetenschap dat het brekende kruis iets met haar had te maken. Tijdens haar jeugd was haar oom Buell een zogenaamde lekenprediker geweest, wat betekende dat hij geen speciale wijding van Christus had ontvangen, maar toch bijbelonderricht gaf. Toen Mary Lou opgroeide, werd zijn aanhang steeds kleiner, maar er bleef altijd een harde kern mensen over die naar zijn schriftlezingen kwamen luisteren. Ze aanbaden Buell alsof hij de Heer zelf was.
Elke zondag en woensdag zaten er zo’n tien tot twintig mensen in het souterrain van Buells in ranchstijl opgetrokken huis, en allen waren gekomen om Buell over het Woord te horen preken. Zijn favoriete thema was de verraderlijkheid van de zonde, zoals hij het noemde. De zonde was een zware last, zei Buell, die je uiteindelijk op de een of andere manier zou breken. Een goede man kon zijn vrouw bijvoorbeeld slaan. Of een goede vrouw loog tegen haar man. Het was niet zo moeilijk je door de zonde in tweeën te laten breken. Door een dergelijke breuk drong nog meer zonde, nog meer kwaad moeiteloos je hart binnen. Het was aan de zondaar zelf om Jezus te zoeken en om verlossing te vragen, om Zijn hulp in te roepen en zo weer heel te worden. God gaf een zondaar nooit meer dan hij kon dragen, benadrukte Buell. Dat was Zijn geschenk aan de mens: Hij zou je nooit zo breken dat je niet meer gemaakt kon worden. Bij alles wat er gebeurde in het leven van een mens, zelfs aan het eind, stelde God hem in de gelegenheid verlost te worden.
‘Alleen Jezus kan je weer heel maken als de zonde je heeft gebroken,’ had Buell gepredikt.
‘En dat deel van je dat gebroken is geweest, komt er alleen maar sterker uit te voorschijn.’
Hij noemde dat proces de zegen van het gebroken zijn. Zelfs toen hij in het ziekenhuis doodging aan botkanker had hij behandeling geweigerd, met als argument dat God zijn botten alleen maar had gebroken om ze weer te helen en om Buell sterker te maken.
Toen het bijna was afgelopen, was hij er dankzij de morfine van overtuigd geweest dat er engelen in de kamer waren. Of misschien kwam het niet door de morfine. Het was algemeen bekend dat Buell ook zonder hulp van drugs engelen zag. Mary Lou hoorde voetstappen in het portaal en ze draaide zich op de kerkbank om. Dominee Riddle kwam de kerk binnen, de mouwen van zijn overhemd opgerold, zijn handen in zijn zakken. Stephen Riddle was de tegenpool van haar oom Buell. Hij preekte niet dat je zelf aan je verlossing moest werken, maar dat de verlossing een zegen was. Er was geen last die Jezus niet van je wilde afnemen, er was geen probleem dat Hij niet kon oplossen. Stephens favoriete vermaning luidde dat het zondig was om te tobben, terwijl Buell je aan het eind van elke dienst opdroeg je thuis in getob te verliezen, je leven onder de loep te nemen om er zo achter te komen wat je fout deed en om Jezus te vragen of Hij je wilde helpen je leven te beteren. Uiteraard ontbrak het Buell nooit aan vrijwilligers voor karweitjes, hoe onbeduidend die ook waren. Zijn kudde was hem zo toegewijd dat als zijn vrachtwagen het had begeven er meteen een monteur verscheen om die te repareren. Toen er een nieuw dak op zijn huis moest komen, staken de mannen van zijn gemeente de koppen bij elkaar en in één weekend was de klus geklaard. Stephen Riddle zou de kerk nog eerder in elkaar laten storten dan dat de gedachte ook maar bij hem opkwam zijn gemeenteleden te vragen hun last naar vermogen te dragen.
‘Warm vandaag,’ zei Stephen en hij keek haar vanuit zijn ooghoek aan.
‘Gaat het wel goed met je?’ Mary Lou knikte, een zweetdruppel op haar bovenlip. Opeens wilde ze zo graag naar huis en naar bed dat ze de lakens bijna voelde tegen haar huid. Ze had al haar ziekteverlof echter opgebruikt. Ze kon het zich niet veroorloven er geld bij in te schieten. Hoewel ze er niet aan twijfelde dat Stephen oprecht met haar gezondheid was begaan, wist ze ook dat hij het op haar salaris zou inhouden als ze ook maar een minuut eerder vertrok. Na wat er tussen hen was voorgevallen, zou Mary Lou de predikant eigenlijk in haar macht moeten hebben. Ze zou deze macht naar eigen believen moeten kunnen aanwenden. Om de een of andere onduidelijke reden was ze hier niet toe in staat.
‘Hoe staat het met ons project?’ vroeg hij, en hij gebaarde naar de lege plek boven de preekstoel.
‘Vertrouw je het eigenlijk wel met deze aannemer?’
Ze wist waar hij op doelde. Mary Lou was de hele dag al niet op haar kantoor geweest.
‘Ik vond dat ik een oogje in het zeil moest houden.’
‘Zo te zien ben je wat afgevallen,’ zei hij, met een beleefd glimlachje.
‘Inderdaad,’ beaamde ze. Ze verzweeg echter dat ze niet zomaar een beetje was afgevallen, maar heel veel. Voedsel verdroeg ze slecht de laatste tijd. Wat ze ook at, het lag in haar maag als een brandend kooltje dat haar elk moment van binnenuit kon verteren. Stephen knikte, waarbij hij zijn kin tegen zijn borst duwde en zijn wenkbrauwen optrok. Dat deed hij altijd als hij eigenlijk nog iets zou moeten zeggen, maar er de woorden niet voor kon vinden. Het was een goede truc, zo maakte hij een diepzinnige en beschouwende indruk, terwijl hij in werkelijkheid gewoonweg niet in staat was zijn gedachten onder woorden te brengen.
‘Een man van woorden,’ zou Buell hebben gezegd, ‘maar geen ervan goed.’
‘Tja,’ zei ze, in een poging Stephen tegemoet te komen, maar toen zag ze hem met verwrongen mond strak naar haar pols staren. De armband was opeens loodzwaar. Hij keek snel op, een gekweld lachje om zijn lippen. Ook dat lachje was vertrouwd. Hij wist altijd hoe hij met het juiste gebaar compassie kon opwekken onder het mom van begaandheid met de ander. Mary Lou observeerde hem toen hij naar het kruis liep en er met een zekere eerbied zijn hand op legde. Zijn vingers streken voorzichtig over het hout, zachter dan hij haar ooit had aangeraakt. Ze dacht aan Anne Riddle, zijn vrouw, en haatte haar met een felle, brandende haat die haar vanbinnen verzengde. Anne was sereen en beeldschoon, haar heupen staken naar voren en haar huid was als het fijnste porselein. Ze was de perfecte domineesvrouw: een en al eerbied, rechtschapenheid en gereserveerdheid.
‘Mooi schoongemaakt,’ mompelde Stephen.
Mary Lou zei maar niet dat het kruis nog helemaal niet was schoongemaakt. In plaats daarvan knikte ze en ze probeerde te glimlachen toen hij naar haar keek.
Hij vroeg: ‘Hoe gaat het met Pud?’
‘Die zit nog op school,’ antwoordde ze, en haar stem klonk even zacht als de zijne.
‘Heb je het dak al laten maken?’
Ze fronste haar wenkbrauwen toen ze aan het geld dacht dat de reparatie van het dak haar zou gaan kosten. Ze zou de loterij moeten winnen om zich uit de put te kunnen werken waarin ze zich bevond.
‘Denk je dat we die brochures vandaag nog de deur uit krijgen?’ vroeg hij, doelend op de antiabortusfolders, de belangrijkste bron van inkomsten voor de kerk. Hun adressenbestand was een van de grootste van het land en tot in Michigan werd er geld voor het goede doel gestort. Dat was de eigenlijke reden waarom Mary Lou die ochtend naar de kerk was gegaan, de wetenschap dat ze, als ze nog één kleurenkopie in een envelop stopte, haar polsen zou kunnen doorsnijden. Haar maag draaide om als ze aan de foto op de folders dacht, de uiteengereten foetus, het hoofdje ingeslagen met een of ander scherp, walgelijk instrument, en daarboven de smekende kop:
‘Waarom liet u mijn mammie mij vermoorden?’
‘Mary Lou?’
Ze schudde haar hoofd en tranen sprongen in haar ogen.
‘Mary Lou,’ herhaalde Stephen, maar ze maakte een afwerend handgebaar waardoor de belachelijke bedelarmband rinkelend tegen haar pols sloeg.
‘Waarom draag je die nog steeds?’ vroeg hij op gelaten toon, want het was duidelijk dat hij wel wist wat ze zou antwoorden.
‘Als aandenken,’ zei ze, en ze draaide de armband rond haar pols.
‘Ze beweren dat die dingen geluk brengen,’ zei hij terwijl hij een blik op het kruis wierp en zijn hand weer over het zachte hout liet gaan.
‘Dat zal dan wel,’ zei ze. Op de dag dat ze het kleinood had gekregen, had ze tevens het slechtste nieuws van haar hele leven vernomen, en Mary Lou huiverde onwillekeurig als ze aan het kwaad dacht dat als giftig gas uit het ding lekte. Stephen staarde naar zijn hand op het kruis, zijn gezicht een en al ongenoegen. Zoals zo veel dingen tussen hen was de armband een geheim. Stephen had tegen de gemeente gezegd dat hij een tijdje verlof nam om de armen in de Blue Ridge Mountains te gaan helpen, maar in werkelijkheid had hij zich bij zijn broer in Las Vegas gevoegd, waar de regionale bond van afvalverwerkers een congres hield. Stephen was er niet bepaald trots op dat zijn broer vuilnisman was – volgens sommige verhalen was hij neurochirurg, volgens andere bankier of missionaris – maar Mary Lou was niettemin blij geweest met de bedelarmband die hij voor haar had meegenomen. Hij had gezegd dat hij al het geld dat hij met blackjack had gewonnen had uitgegeven om iets speciaals voor Mary Lou te kopen. De armband had in een van de vitrines in het Venetian Hotel gelegen, en toen hij er langs was gelopen had hij onmiddellijk aan haar gedacht. Pas later waren haar de gebreken opgevallen: de armband was ooit gebroken geweest en daarna zeer ondeskundig gelast; sommige bedeltjes hadden scherpe punten die gaten trokken in haar kleren. De slang bleef voortdurend aan haar mouw haken en het jezusje aan het kruis was niet om aan te zien, zijn gelaat zo gepijnigd dat Mary Lou de aanblik niet kon verdragen. Desondanks hield ze de armband de laatste tijd ook ’s nachts om, en als het haar lukte de slaap te vatten, waren haar dromen gevuld met ijselijke visioenen: een beer die door het duister trok op zoek naar menselijke prooi; een volwassen man die van onderen tot boven was opengesneden; afgehakte handen die zich naar haar uitstrekten alsof ze haar in haar slaap wilden wurgen. Zelfs als ze gillend wakker werd, met het sleuteltje verstrikt in haar haren alsof het een of ander gruwelijk geheim in haar hersens wilde ontsluiten, deed Mary Lou de armband niet af.
Het leek wel of Stephen van dat alles op de hoogte was, want hij opperde: ‘Misschien moet je hem niet langer dragen.’
‘Waarom niet?’ vroeg ze, in de wetenschap dat hij het antwoord schuldig moest blijven. Zo zou ze er altijd aan denken; het was haar eigen brandmerk. Stephen bleef nog even weifelend staan, maar ten slotte liep hij na een lichte buiging bij haar weg, alsof deze ronde voor haar was. Ze hoorde hoe zijn voetstappen zich van haar verwijderden: eerst een dof geplof op de loper op het middenpad, en daarna scherp geklik op de tegels in het portaal. Toen was hij weg. Stephen kon als geen ander van het toneel verdwijnen. Brian, de ex-man van Mary Lou, was ongeveer tien jaar te lang blijven hangen. Ze had al een tijdje geweten dat hij haar bedroog, maar oom Buells uitspraak over gescheiden vrouwen drukte nog altijd zwaar op haar. En daarom had ze net zo lang gewacht tot Brian zelf besloot te vertrekken, wat hij haar zeer kwalijk had genomen, evenals hun zoon. Beide mannen vonden Mary Lou maar een slappeling, een boksbal waarop je naar hartenlust je agressie kon botvieren, en die toch bleef hangen, in afwachting van meer. Pud was nog erger. Zelf noemde ze haar tienerzoon trouwens geen
‘Pud’. Ze had hem bij zijn geboorte William genoemd, en had er altijd op gestaan dat het niet tot iets lomps werd afgekort, zoals Willy of Bill. Twee jaar geleden was William zichzelf Pud gaan noemen, zo rond de tijd dat hij begon te puberen en naar rapmuziek begon te luisteren en broeken ging dragen die zijn bilspleet lieten zien als hij zich vooroverboog. Ze had haar lieve zoontje in een vreemd wezen zien veranderen, een pseudonikker, met zijn blonde haar in strakke vlechtjes op zijn hoofd, en met kleren die om zijn lijf hingen als natte papieren zakken om een stok. Zijn taalgebruik veranderde ook, ze verstond geen woord van wat hij zei, en bovendien zong hij altijd met die vreselijke muziek mee, het was nigga voor en nigga na, een woord dat Mary Lou nooit in zijn aanwezigheid had gebruikt en dat ze nu tot haar schande uit zijn mond moest aanhoren. Terwijl William toch een bloedhekel aan zwarten had en geen gelegenheid voorbij liet gaan om denigrerende opmerkingen over ze te maken, zelfs als Mary Lou mensen van de kerk op bezoek had. Hoewel ze veel van haar zoon hield, had Mary Lou hem voor het eerst in haar leven wel een klap willen verkopen toen William haar grijnzend liet weten dat hij voortaan alleen nog maar met
‘Pud’ aangesproken wilde worden. Er lag een akelige trek om zijn mond toen hij het woord uitsprak, alsof Mary Lou debiel was en niet wist dat
‘pulling your pud’ slang was voor aftrekken. Tijdens Williams eerste levensjaren had ze als invaller bij het onderwijs gewerkt. In de lerarenkamer had ze wel ergere dingen gehoord dan
‘pud’. Het allerergste aan William vond ze zijn woede, hoewel ze geen idee had waarom hij zo kwaad was. Brian verwende hem, ook al wilde hij niet met de jongen in het openbaar gezien worden. De jongen kreeg alles wat zijn hartje begeerde. De tennisschoenen van tweehonderd dollar en het skateboard van tachtig dollar (zonder helm), dat William één keer had uitgeprobeerd en daarna links had laten liggen, waren nog maar een paar van de dingen die Brian als reden opvoerde om minder alimentatie aan Mary Lou te hoeven betalen. Ze waren hierover voortdurend aan het ruziën, en als Brian dan tegen haar tekeerging, begon Mary Lou te huilen, want haar woede was als een strakke knoop in haar binnenste, waaruit ze alleen nog tranen kon persen. Alimentatie voor William was niet het enige wat Brian geacht werd te betalen. Op rechterlijk bevel was hij verantwoordelijk voor de helft van het onderhoud aan het huis. Niettemin lekte het dak als het regende, en in de hele wereld waren niet voldoende emmers om het water op te vangen. Mary Lou kon schoonmaken wat ze wilde, het vocht sloeg uit de keukenkastjes en als je het huis betrad, leek het of je over een beschimmeld brood liep. Godzijdank had Pud zijn tennisschoenen van tweehonderd dollar, zodat zijn voeten de grond niet hoefden te raken. Buiten de kerk klonken timmergeluiden, en Mary Lou schoof langzaam naar het uiteinde van de bank zodat ze kon gaan staan. De armband raakte de leuning, en nadat ze even om zich heen had gekeken, drukte ze met de punt van de biddende engel een groefje in het zachte hout. Toen ze overeind probeerde te komen, verkrampte haar buik, en Mary Lou besefte dat het tijd werd een arts te raadplegen. Vlug berekende ze hoeveel geld ze nog bezat en ze kwam tot de conclusie dat ze een bezoekje aan de arts wel kon vergeten, ook al zou ze William bij zijn vader laten eten. Met op elkaar geklemde kiezen duwde ze zich overeind, kreunend van inspanning. Zweetdruppels liepen over haar rug en ze probeerde aan iets koels te denken. Het eerste wat in haar opkwam was de kerkretraite waar ze de afgelopen kerst aan had deelgenomen, toen haar leven onherstelbare schade had opgelopen door wat zich daar had afgespeeld. Gatlinburg in Tennessee was wat ze in het Zuiden een skioord noemden, ook al moesten ze het grootste deel van de tijd nepsneeuw tegen de berghellingen blazen om mensen in de gelegenheid te stellen op hun ski’s naar beneden te glijden. Brian had wel een week voor William willen zorgen, al een wonder op zich, en Mary Lou had de kerk zover gekregen dat die voor een deel van de kosten opdraaide in ruil voor wat extra hulp met de jeugdgroep. Ze had niet de illusie gehad dat ze zou skiën toen ze naar Gatlinburg ging. Mary Lou was nooit een atletisch type geweest. Ze was een grote vrouw, die niet veel met het buitenleven op had, behalve als ze ergens op een strand kon liggen met een pina colada en een flodderromannetje bij de hand. In haar verbeelding zou ze met haar benen omhoog voor een loeiend haardvuur romantische boeken lezen, waarin de vrouwen sterk en de mannen galant waren. ’s Avonds zou ze samen met andere gemeenteleden de maaltijd gebruiken en daarna zouden ze gezellige dingen gaan doen. Het hele gebeuren was ook bedoeld als een godsdienstige retraite voor alleenstaanden. Nu ze sinds kort weer alleenstaand was, kwam Mary Lou ervoor in aanmerking, maar ze was er niet naartoe gegaan met de bedoeling een partner te ontmoeten. Haar leven was veel te gecompliceerd om ruimte te bieden aan een nieuw iemand. Dominee Stephen Riddle was uiteraard een oude bekende, en ondanks de beperkingen die inherent waren aan hun relatie van werkgever en werkneemster had ze hem al heel lang beschouwd als een betrouwbare raadgever en misschien wel vriend. Anne, zijn vrouw, rekende ze ook tot haar kennissen; Mary Lou had weleens geholpen bij verjaarsfeestjes van hun kinderen en ze had zelfs aangeboden het huis van Annes vader schoon te maken toen deze was overleden. Dat zij en Stephen de derde avond van de retraite op haar kamer waren beland, vervulde Mary Lou nog steeds met verbazing. Eigenlijk waren ze naar boven gegaan om onder vier ogen met elkaar te praten. Mary Lou wist maar al te goed dat haar exman William niet in huis had genomen zonder dat daar iets tegenover stond, en deze nieuwste gunst betekende ongetwijfeld dat ze aan het eind van de maand minder alimentatie voor haar zoon zou ontvangen. Ze had het met de dominee over een eventueel voorschot willen hebben. Ze had gehoopt dat Stephen zou inzien hoe moeilijk ze het had en uit eigen beweging een loonsverhoging zou voorstellen. Toen Stephen dichter bij haar was gaan staan, had Mary Lou zich overgegeven aan de troost die hij haar bood. Toen hij haar steeds dringender had gestreeld en ze hem hard had voelen worden, was het alsof ze zich in een nevel begaf. Seks met Brian had ze altijd over zich heen laten komen, en hoewel ze in haar vrouwenbladen regelmatig iets over het orgasme had gelezen, had Mary Lou daar op dezelfde manier tegenaan gekeken als tegen recepten en knutselrubrieken: interessant, maar niet iets waar zij ooit aan toe zou komen. Ook Stephen had het op dat gebied laten afweten, maar het was zo heerlijk geweest om in zijn armen te liggen, om zijn stevige lichaam op het hare te voelen, om naar zijn gezicht te kijken toen het verkrampte van genot, dat ze een kreet had uitgestoten en op haar lip had gebeten om het niet uit te schreeuwen. Stephen had dit voor hartstocht aangezien, en hoewel hij een paar minuten later naar buiten was geglipt met de smoes dat hij op zijn kamer moest zijn voor het geval Anne of een van de kinderen hem nodig had, had hij de volgende avond weer op haar deur geklopt. Ze had hem binnengelaten, lichtelijk opgewonden omdat ze iets slechts deden. Mary Lou had nog nooit iets slechts gedaan. Ze had altijd geprobeerd een zo goed mogelijk leven te leiden uit angst voor de zware straf die haar anders in het hiernamaals zou wachten. Tot haar verbazing ontleende ze een zeker genot aan het verbreken van een kardinale regel: ze had niet alleen seks, maar seks met een getrouwde man. Niet zomaar een getrouwde man, maar haar dominee. De daaropvolgende avonden, toen Stephen dingen had voorgesteld die hij graag wilde doen, standjes die hij wilde uitproberen, had ze hem aangemoedigd. Eigenlijk had ze hem erom gesmeekt, en de gedachte dat hij al die dingen nooit met Anne had gedaan, maakte haar bijna duizelig van macht. Zelfs als ze op haar ellebogen steunde, met haar achterste hoog in de lucht als een loopse teef, had ze hem nog aangemoedigd, in de bizarre overtuiging dat ze een dergelijke vernedering verdiende. Na de retraite had Stephen gedaan alsof er niets was voorgevallen, en zijn beleefde gedrag was als een klap in haar gezicht. Twee keer had ze geprobeerd met hem te praten, maar pas toen hij terugkwam uit Las Vegas en de bedelarmband in zijn hand had gehouden alsof hij haar iets geweldigs wilde geven, had ze de boodschap begrepen. Om ieder misverstand te voorkomen, had hij tegen haar gezegd:
‘Ik kan dit niet. Ik ben een man van God.’ Toen ze in tranen was uitgebarsten, had hij haar in zijn armen genomen en gesust met zijn kussen, nog tederder dan die paar keer dat ze samen waren geweest. Ze was nog harder gaan huilen, niet omdat ze hem kwijt was, maar omdat ze het nu zonder de tederheid moest stellen die haar deel had kunnen zijn. Ze werd overweldigd door diepe, gekwelde snikken, en ze was Anne gaan haten, want ze begreep dat Stephens tederheid voor Anne was bestemd, en dat Mary Lou slechts zijn hoer was geweest.
‘Mevrouw?’ Een stem schudde haar wakker. Geschrokken keek Mary Lou op en ze besefte dat haar ogen vol tranen stonden.
‘Ja?’ kreeg ze er met moeite uit, en terwijl ze haar ogen droogde, draaide ze zich om en zag de zwarte man achter zich staan. Weer depte hij zijn schedel met de inmiddels niet meer zo witte zakdoek. Achter hem stonden de Mexicanen, in afwachting van zijn bevelen.
‘We wilden eigenlijk weer beginnen,’ zei hij. Ze knikte, haar hand op de rugleuning van de kerkbank, en probeerde zich te herinneren waarover hij het had. Het kruis. Natuurlijk, het kruis. Mary Lou keek op haar horloge, alsof ze iets belangrijks op het programma had staan.
‘Hoe lang gaat het nog duren?’
‘Minuutje of tien, denk ik.’ Hij knikte naar de Mexicanen.
‘En ongeveer even lang om hem weer op zijn plaats te krijgen.’
‘Jullie staan toch op het parkeerterrein aan de noordkant?’ vroeg ze, hoewel ze zijn gedeukte oude pick-up daar had zien staan, met het gereedschap ernaast. Ze wist dat ze haar bevelen braaf zouden opvolgen uit angst anders weggestuurd te worden.
‘Ja, mevrouw,’ zei hij, en weer gaf hij de mannen een knikje. Ze liepen het middenpad af alsof het een huwelijk was, hun voetstappen traag en bedachtzaam. Mary Lou keek toe terwijl de Mexicanen het gebroken kruis optilden, dat zwaarder leek dan ze had gedacht, hoewel ze zich misschien ook wel aanstelden. Na het nodige gehijs en gekreun hadden ze het kruis ten slotte hoog genoeg opgetild om het te kunnen wegdragen, en Mary Lou vroeg zich af of Jezus ook zo veel drukte had gemaakt toen hij dat stomme ding de berg op moest zeulen.
‘Minuutje of tien,’ herhaalde Jasper. Toen ze weg waren, overwoog Mary Lou weer te gaan zitten, maar ze wist dat het haar dan nog meer moeite zou kosten overeind te komen. Daarom liep ze naar het raam, en tegen het glas geleund keek ze naar de mannen, die het kruis naar het parkeerterrein achter de kerk droegen. En ja hoor: ze liepen veel sneller nu ze dachten dat ze niet keek. Er stonden al zes zaagbokken opgesteld, ongeveer in de vorm van het kruis, en terwijl Jasper ze op de goede plek schoof, lieten de mannen het kruis erop zakken. Hij hield de gebroken rechterarm met één hand vast terwijl hij de zaagbokken een duw met zijn voeten gaf of een ruk met zijn vrije hand. Het kerkraam was een stuk hoger dan het parkeerterrein, en Mary Lou kon alles van bovenaf in de gaten houden. Het kruis leek weer kleiner nu het een eind verderop lag. Zo ging dat met afstand, dan leken de dingen kleiner. De tijd had hetzelfde effect. Als Mary Lou bijvoorbeeld terugdacht aan Gatlinburg, dan leek het voorval veel onbeduidender. Wat eruit was voortgevloeid, nam uiteraard grotere proporties aan, en de afloop was duister. Oom Buell zei altijd dat een vrouw harder kan lopen met haar rok omhoog dan een man met zijn broek naar beneden, maar hij had er niet bij verteld dat als beiden uiteindelijk hun vluchtpoging staken, het de vrouw is die voor de gevolgen moet opdraaien. Mary Lou was ervan overtuigd dat Stephen Riddle de Heer om vergeving had gesmeekt en dat zijn gebed was verhoord. Mary Lou had om verlossing gebeden en had een kind ontvangen. Haar menstruatie was altijd al onregelmatig geweest. In de kerk had ze nauw met Stephen moeten samenwerken, en soms moest ze wel twee keer per week naar Williams school om ze te smeken haar zoon niet weg te sturen, en dat alles had haar zo veel energie gekost dat Mary Lou er niets achter had gezocht toen ze al maanden geen bloed meer in de toiletpot had gezien. Bovendien was ze een forse vrouw, en toen haar buik begon uit te dijen, weet ze dat aan al het fastfood dat ze at en aan de chips die ze ’s avonds laat voor de televisie naar binnen werkte. Het zou ook de menopauze kunnen zijn, had ze zichzelf voorgehouden. Ze was zelfs blij geweest dat ze in de overgang was, want dat betekende één probleem minder. Toch moest ze het ergens geweten hebben, want toen ze uiteindelijk een arts had durven raadplegen, was ze niet naar dokter Patterson gegaan, die William ter wereld had geholpen, maar naar een arts in Ormewood, twee stadjes verderop, die daar pas een praktijk was begonnen.
‘Gefeliciteerd,’ had de dokter gezegd toen Mary Lou hem had gebeld voor de uitslag. Vervolgens had hij een lange lijst instructies over voeding en lichaamsbeweging opgedreund, haar de naam gegeven van een goede vroedvrouw en gezegd in welk ziekenhuis ze het beste kon bevallen. Mary Lou had het allemaal opgeschreven op een stapeltje rekeningen dat bij de telefoon in het kerkkantoor lag, in de vurige hoop dat er niemand zou binnenkomen. Even had ze zich vertwijfeld afgevraagd of de telefoon misschien werd afgeluisterd, maar toen had ze beseft dat de kerk waarschijnlijk te gierig was om daar geld aan te besteden. Dan zouden ze nog eerder Randall voor de deur posteren om haar af te luisteren. Maar voorzover Mary Lou wist, stond er buiten niemand op de loer.
‘Hebt u nog vragen?’ had de dokter gezegd.
‘Zijn er ook...’ ging Mary Lou van start, heel zachtjes, want ze was nog steeds bang dat iemand haar ongemerkt afluisterde.
‘Zijn er ook andere opties?’ Al op het moment dat ze de vraag stelde, wist Mary Lou precies waarop ze doelde. Ze had de hele dag brieven in enveloppen zitten stoppen, ze had in elke smetteloos witte envelop een kleurenkopie van dat verminkte kind geschoven, er een sticker met een adres uit hun nationale bestand op geplakt en het ding door de frankeermachine gehaald opdat de brief zo snel mogelijk bezorgd zou worden.
‘Mevrouw Riddle,’ had de dokter gezegd, haar aansprekend met de naam die ze had opgegeven.
‘Volgens mij begrijpt u het niet helemaal. U bent in uw derde trimester.’
‘En?’ had ze gezegd, en ze had zich afgevraagd wat het probleem was. De dokter had een hautaine toon aangeslagen.
‘Abortus in het derde trimester is illegaal in de staat Georgia, mevrouw Riddle.’ Vervolgens had hij Mary Lou te kennen gegeven dat hij waarschijnlijk geen plek voor haar had in zijn praktijk en dat ze maar het beste naar iemand aan de andere kant van de stad kon gaan. Ze had haar hand nog een hele tijd op de hoorn laten rusten, ook toen ze die allang had neergelegd, met stomheid geslagen door de woorden van de dokter. In heel Amerika werden aan de lopende band late abortussen uitgevoerd. Er lagen wel tienduizend brochures op haar kantoor met verhalen uit het hele land over levensvatbare foetussen – baby’s, kinderen eigenlijk – die in de baarmoeder waren gedood. Hun schedeltjes waren doorboord om ze te laten inklappen, hun hersentjes waren met vacuüm slangen weggezogen en in stukjes aan medische onderzoekers verkocht. Abortus door partiële geboorte leek wel een plaag in de Verenigde Staten. Het was aan de orde van de dag. Na enig nadenken had Mary Lou de deur van haar kantoor op slot gedaan en was op de vloer achter haar bureau gaan zitten, met het telefoonboek van Atlanta op haar schoot. Met grote regelmaat organiseerde de kerk protestdemonstraties; dan kropen ze met zijn allen in het kerkbusje en tenzij het onverwacht ging regenen, postten ze bij allerlei abortusklinieken in Atlanta. Ze droegen borden met teksten als MOORDENAARS! en STOP DE BABYMOORD! De artsen die in die klinieken werkten, schaamden zich zo diep dat ze de gemeenteleden niet in de ogen durfden te kijken. Ze liepen met gebogen hoofd voorbij en bedekten hun oren als er leuzen werden gescandeerd.
‘Red de baby’s! Dood aan de dokters!’ Mary Lou had allereerst deze klinieken gebeld. Toen ze allemaal met hetzelfde verhaal kwamen als de dokter, had ze de beroepengids doorgenomen en elke gynaecoloog gebeld waarvan de naam deed vermoeden dat hij haar misschien wel wilde helpen. Ze was begonnen met de joodse artsen, gevolgd door een paar met Pools klinkende namen, en toen had ze de praktijk van een LatijnsAmerikaanse arts gebeld; de vrouw die de telefoon opnam, sprak nauwelijks Engels maar slaagde er niettemin in aan Mary Lou duidelijk te maken dat wat ze vroeg niet alleen illegaal was, maar ook indruiste tegen Gods gebod. Toen ze al die namen had afgewerkt, had Mary Lou een aantal voor de hand liggende klinieken gebeld, alle met het voorvoegsel ‘vrouwen’ in hun naam, en vervolgens de ‘feministische’ instellingen. Ze had op het internet gezocht en telefoonnummers verzameld van klinieken in steden die niet al te ver weg waren, in Tennessee en Alabama, maar overal had ze in niet mis te verstane bewoordingen te horen gekregen dat een dergelijke procedure niet uitgevoerd kon worden. Eén vrouw had sympathiek geklonken en haar verteld dat er een handjevol staten was dat abortus in een dergelijk ver stadium toestond, maar dan moest het wel buiten kijf zijn dat het leven van de moeder op het spel stond. Mary Lou had over die zin nagedacht en was tot de conclusie gekomen dat haar leven inderdaad op het spel stond. Als ongehuwde moeder kon ze niet voor de kerk blijven werken. Ze had nauwelijks genoeg geld om William en zichzelf te voeden, laat staan een klein kind. Bovendien waren baby’s altijd ziek, hadden altijd medicijnen en artsen en God nodig; alleen al bij de gedachte kreeg ze het gevoel alsof ze glas had ingeslikt. De kerk was vrijgesteld van de verplichting haar ziekteverzekering te betalen, en de particuliere verzekering die ze alweer jaren geleden had bestudeerd, kostte zeshonderd dollar per maand. Nadat ze de hypotheek en de autoverzekering had betaald – want voor haar werk had ze een auto nodig – bleef er amper zeshonderd dollar van haar loon over. Na het bezoekje aan die arts had ze twee weken lang brood met pindakaas en jam moeten eten. Na het laatste telefoontje was de maat vol geweest. De vrouw aan de andere kant van de lijn was zowaar tegen haar gaan preken, ze had gezegd dat er voortreffelijke christelijke organisaties waren die haar konden helpen in deze moeilijke tijd. Mary Lou had op het puntje van haar tong gebeten om maar niet uit te schreeuwen dat ze zelf deel uitmaakte van zo’n christelijke organisatie en dat ze op straat zou staan als ze erachter kwamen. Woedend had ze de hoorn op de haak gesmeten. God nog aan toe, ze was toch geen crackverslaafde? Ze was niet een van die vrouwen die abortus als een vorm van anticonceptie beschouwden. Ze was niet een of andere slet die alleen maar aan haar carrière dacht en geen tijd had voor een kind. Ze was dol op kinderen. Elke laatste zondag van de maand werkte ze als vrijwilligster in de crèche van de kerk. Ze was móéder. Haar ogen schoten vol tranen en ze betrapte zich erop dat ze haar pols naar haar mond bracht en erop begon te zuigen, zoals ze dat als kind altijd had gedaan. De bedeltjes aan de armband tikten tegen haar tanden en de metalen smaak brandde in haar keel. Ze nam de bedeltjes een voor een in haar mond en zoog erop alsof ze er een soort kracht aan wilde onttrekken. Ze had het ding altijd als iets boosaardigs beschouwd, een akelig aandenken aan haar zonde, maar nu betrapte ze zichzelf erop dat ze de bedeltjes – het medaillon, de balletschoentjes, de vuurtoren, het kruis – aan het aftellen was, als een soort rozenkrans. Terwijl Mary Lou het puntje van haar tong over het kruis had laten gaan, had ze opeens beseft dat die instellingen natuurlijk nooit iets over de telefoon zouden zeggen waarmee ze problemen zouden kunnen krijgen. Wisten zij veel wie ze was. Ze kon wel een overheidsinspecteur zijn, een rechercheur, of een antiabortusactivist die hun een uitspraak probeerde te ontlokken en ondertussen stiekem het telefoongesprek opnam. Mary Lou zou ernaartoe moeten gaan voor een persoonlijke ontmoeting. Ze wist zeker dat ze haar dan wel zouden helpen. Ze zouden zo kunnen zien dat ze er niet op uit was hen erin te laten lopen, maar dat ze echt hulp nodig had. Stephen had verbaasd opgekeken toen Mary Lou om een vrije dag had gevraagd. Elk kwartaal had ze recht op een aantal dagen ziekteverlof, maar in de tien jaar dat ze voor de kerk had gewerkt, had ze niet meer dan een handjevol opgenomen. Niettemin had hij haar aangekeken alsof hij wilde zeggen:
‘Als je er maar geen gewoonte van maakt.’ Op dat moment had ze iets over hun affaire kunnen zeggen, iets waarmee ze hem de mond had kunnen snoeren, maar ze wisten beiden dat ze er niet toe in staat was. De kerk was alles wat ze nog had. De kerk was letterlijk haar leven. Ze werkte er, bezocht de diensten, en de paar vrienden die ze nog overhad, had ze ook aan de kerk te danken. Mary Lou bracht meer uren op deze plek door dan in haar eigen huis.
Als men lucht kreeg van de affaire, dan zou Stephen er niet op worden aangekeken. Ze zouden allemaal beschuldigend naar haar wijzen. Zelfs toen Brian haar in de steek had gelaten, toen hij haar zo open en bloot had bedrogen dat zelfs zijn eigen moeder hem een waardeloze vent had genoemd, hadden de mensen het aan Mary Lou toegeschreven. Ze had het vast aan zichzelf te wijten dat haar man bij haar was weggelopen. Ze was vast geen goede vrouw voor hem geweest. Het kon toch niet aan Brian liggen? Hij was een prima kerel die altijd goed voor zijn gezin zorgde, tot op de dag dat hij wegging. Dezelfde soort logica zou ter verdediging van Stephen worden aangevoerd. Hij was niet alleen getrouwd en had twee schattige kinderen, die geen van beiden met Pud wensten te worden aangesproken, maar hij was ook een man van God, een geleerd man. Stephen Riddle had aan het seminarie in Atlanta gestudeerd. Hij had een doctoraat in de godgeleerdheid. Hij was niet het type dat door een dergelijke onthulling schade zou oplopen. Mary Lou kende de gemeente maar al te goed en ze vermoedde dat ze nog meer van hem zouden houden als bleek dat hij een dergelijke beproeving had doorstaan en toch trouw was gebleven aan zijn gezin. Ze hoorde de preek al die hij naar aanleiding hiervan zou houden.


‘God heeft me op de proef gesteld en ik heb gefaald,’ zou hij zeggen, en zo zou hij de verantwoordelijkheid spreiden terwijl hij wachtte tot zijn zonden werden weggewassen. Spijt sneed door haar heen telkens als ze dacht aan hoe Stephen haar had behandeld toen ze in zijn kantoor had gestaan en om iets had gevraagd waar ze recht op had. Op dat moment was de basis gelegd voor zijn totale macht over haar en het verbaasde haar niets toen hij de zaak veel vaardiger had aangepakt dan zij.


‘Is dat alles?’ had hij op bitse toon gevraagd, en Mary Lou had alleen nog maar kunnen knikken. Toen had hij zich weer over zijn bureau gebogen, over zijn opengeslagen bijbel, zich van haar afgemaakt door haar de bovenkant van zijn hoofd toe te keren. De kliniek in Atlanta lag wat achteraf, maar het had Mary Lou geen enkele moeite gekost het gebouw te vinden. Ze was er al meermalen naartoe gereden, altijd met zo’n twintig tot vijftig mensen, meest vrouwen, gewapend met koeltasjes en broodjes en thermoskannen koffie, alsof het een excursie was in plaats van een poging iets tegen te houden wat eigenlijk op moord neerkwam. Het was ook moord. Daar kon je niet omheen. Mary Lou had niet aan deze fundamentele waarheid willen denken toen ze dat hele eind naar Atlanta reed. Zoals zo vaak de laatste paar maanden, waren haar gedachten afgedwaald naar haar kindertijd. In haar verbeelding zat ze weer in het souterrain van oom Buell en luisterde naar het evangelie. Wat had alles toen eenvoudig geleken, wat was alles zwart-wit geweest. Met hard werken en bidden kon je uiteindelijk alles overwinnen. Er was niets wat de geest niet kon bevatten. Nooit gaf God je meer dan je kon dragen, en zelfs als de inspanning je had gebroken, zou Hij je weer heel maken, sterker dan ooit. Dat was Zijn zegen. Dat was Zijn geschenk. Mary Lou, die nog nooit in een abortuskliniek was geweest, had versteld gestaan toen ze merkte hoe aardig iedereen was. Vanbuiten had het gebouw er somber en grimmig uitgezien, zoals het een executieruimte betaamde. De tralies voor de ramen en de bewaker bij de deur versterkten deze indruk alleen maar, alsof de vrouwen die door de zware houten deur naar binnen gingen ter dood veroordeelde gevangenen waren. Binnen hingen de in lichte kleuren geschilderde muren vol vrolijke posters van kinderen en dieren. Wat haar nog het meest had verbaasd, waren de brochures over vruchtbaarheidsbehandelingen, adoptie en postnatale zorg. Ze had nooit geweten dat de kliniek ook een gynaecologische praktijk was, waar vrouwen terecht konden voor uitstrijkjes en advies. Maar ronduit verbijsterend waren de kinderfoto’s op het overvolle prikbord naast de deur, levende kinderen, ter wereld geholpen door artsen die in de kliniek werkten. Mary Lou had naar de kinderfoto’s gekeken en opeens heel duidelijk beseft dat ze hier niet toe in staat was. Haar maag draaide om, en niet omdat ze zwanger was. Ze werd door angst bevangen, zo hevig dat haar ingewanden verkrampten alsof ze in een bankschroef zaten Toen de verpleegkundige
‘Mevrouw Riddle,’ had geroepen, was Mary Lou de deur uit gestormd en naar adem snakkend was ze de straat overgestoken, naar haar auto. Ze was zich er nog wel van bewust dat ze in Atlanta was en ze hield haar sleutels in haar vuist geklemd, met de scherpste punt naar voren, voor het geval ze werd aangevallen. Ze werd niet aangevallen, maar toen ze bij haar auto kwam, stond er wel een man tegenaan geleund. Hij had
‘Goedemorgen, zuster,’ gezegd en haar van top tot teen bekeken, zoals een boer een koe keurt die hij wil kopen. Hij zag er smerig uit en was duidelijk een zwerver. Hij hield zijn armen gekruist voor zijn borst, precies zoals haar vader vroeger altijd deed als Mary Lou iets had uitgespookt wat hem niet aanstond.
‘Ga opzij, alstublieft,’ had ze gezegd, hoewel haar stem allerminst dreigend klonk. Ze was uitgeput, emotioneel afgemat en kon alleen nog uiting geven aan haar grote verslagenheid.
‘U komt daarvandaan, hè?’ had hij gezegd, en hij had naar de kliniek gewezen.
‘Ik heb u daar uit zien komen.’
‘Nee,’ had ze gelogen, en ze had geprobeerd door haar mond te ademen toen de wind van richting veranderde en ze hem kon ruiken.
‘Wilt u alstublieft aan de kant gaan, want anders zal ik de politie moeten bellen.’ Hij had haar met een bepaald soort blik aangekeken, dezelfde blik waarmee ze haar hele leven al was aangekeken: je bent niets waard. Je kunt me toch niets doen, want je weet dat het je verdiende loon is. Zo keek William haar aan en Brian vroeger ook, en nu Stephen Riddle. Opeens had ze er genoeg van, en ze besloot op dat moment dat ze een dergelijke blik niet van een haveloze vreemde accepteerde. Woede was in haar opgeweld en zonder erbij na te denken had Mary Lou zich op de zwerver gestort, ze was hem als een woesteling met de sleutel te lijf gegaan; een huiveringwekkende oerkreet was aan haar mond ontsnapt toen ze hem in zijn gezicht stak, in zijn hals en in zijn handen, die hij afwerend voor zich hield. Ze had de beelden van de aanval niet uit haar hoofd kunnen zetten toen ze terug was gereden naar Elawa. Ze had hem tot bloedens toe verwond. Met ongekende felheid had Mary Lou de walgelijke zwerver aangevallen, woede had haar als een vloedgolf overspoeld, haar gezonde verstand ondergraven, en alleen het losse slib van de haat achtergelaten, waarvan ze zich niet kon ontdoen. Ergens had ze de man wel willen vermoorden. Verbazingwekkend genoeg was ze ergens ook in stáát geweest hem te vermoorden. Mary Lou had het nooit voor mogelijk gehouden dat ze over de kracht zou beschikken om zichzelf te verdedigen, laat staan dat ze het soort persoon was tegen wie iemand anders zich zou moeten verdedigen. Toen ze in de achteruitkijkspiegel had gekeken, had ze tot haar verbazing bloed op haar wang gezien. Ze wist zeker dat het niet van de zwerver was. Het was haar eigen bloed. Mary Lou had zich opengehaald aan de bedelarmband toen ze de sleutel naar achteren zwaaide en op zijn ogen richtte. Als hij in die fractie van een seconde zijn hoofd niet opzij had gedraaid, dan zou ze hem blind hebben gemaakt. Als het hem niet gelukt was onder de dichtstbijzijnde auto weg te kruipen toen ze haar voet had opgetrokken om hem te schoppen, dan zou Mary Lou hem met haar blote handen hebben gewurgd, daarvan was ze overtuigd. Hoe had het zover kunnen komen, vroeg ze zich af. Wat had haar bezield? Die arme sloeber was waarschijnlijk alleen maar op geld uit geweest, een paar dollar voor een kop koffie of wat voor bocht dan ook dat hem op straat had doen belanden. Wat was er in haar binnenste gebeurd dat Mary Lou nu tot moord in staat was? Onder het rijden had ze haar pols naar haar mond gebracht, en het had haar geduizeld, zo veel mogelijkheden waren er. Ze proefde haar eigen bloed, dat aan de bedeltjes kleefde, ze had er als een kind aan gezogen. Er zat iets slechts binnen in haar, iets wat haar in een monster veranderde. Toen dit tot haar doordrong, was ze bijna tegen een gigantische truck opgeknald. Mary Lous hand schoot naar beneden, ze schakelde en onder een kakofonie van claxons reed ze de berm van de snelweg op. Dat slechte in haar was Stephens kind. Het kind was haar zonde, het zat haar dwars, het probeerde haar te breken. De oplossing was eenvoudig: ze kon zich alleen maar van haar zonde bevrijden door zich van het kind te ontdoen. Het gebed was als een verlossing gekomen. Rond de tijd dat William werd geboren had ze het contact met God verloren. Het moederschap was de kern van haar leven geworden en alleen in moeilijke tijden had ze het hoofd nog gebogen. Rochelend gehoest dat midden in de nacht uit Williams kamertje klonk. Hoge koorts die niet wilde wijken. Onverklaarbare schaafwonden en blauwe plekken. Een uitbraak van hersenvliesontsteking op een naburige peuterspeelplaats. Als Stephen vanaf de kansel om stilte verzocht, deed Mary Lou plichtmatig mee, dan boog ze haar hoofd en wachtte, zonder ook maar in de verste verte rekening te houden met de mogelijkheid dat God contact met haar zocht. Ze wierp af en toe een blik op haar horloge en keek wat mensen aanhadden en naast wie ze zaten. Nu ze voor de kerk werkte, was ze meer in de buitenkant dan in de inhoud geïnteresseerd, en het enige waaraan ze tijdens de dienst dacht, was dat de bekleding op de stoelen van de diakens gerepareerd moest worden, of dat ze Randall moest vragen de plint rond het podium schoon te maken. Na haar seksuele avontuur met Stephen had zelfs de gedachte aan gebed godslasterlijk geleken. Buell had het er al vroeg bij haar ingehamerd dat de dominee het medium was door wie je God kon bereiken. Mary Lou kon Stephen met geen mogelijkheid als een dergelijk medium zien. Als ze hem al in gedachten voor zich zag, dan zat hij altijd achter haar, zoals toen, kreunend van genot; ze had haar ogen opengedaan om te zien wat er zo spannend aan was en slechts een glimp van haar borsten opgevangen, die naar beneden hingen als de uier van een koe die nodig gemolken moest worden. Daar in haar auto, in de berm van de snelweg even buiten Atlanta, had Mary Lou zich getroost gevoeld door de mogelijkheid van verlossing. Ze had de armband in haar mond genomen, het kruisje veilig op haar tong, en zo had ze tot God gebeden en Hem gevraagd haar van haar zonden te verlossen. Terwijl het voorbijrazende verkeer de auto deed schudden, had zij haar ogen stijf dichtgeknepen en Hem gesmeekt haar niet nog verder te breken. God moest haar toch kunnen vergeven zonder haar helemaal uiteen te scheuren. Ze had gebeden om begrip voor haar situatie, en toen haar gebed niets uithaalde, had ze gebeden om de kracht die ze nodig zou hebben om te doen wat ze moest doen. In een flits had ze begrepen wat haar te doen stond. Haar enige redding was de dood. Terwijl ze de auto had ingevoegd tussen het verkeer op de snelweg, had Mary Lou haar voornemen voor zichzelf gerechtvaardigd. Ze wist dat William gelukkiger zou zijn als hij bij zijn vader woonde. Brian zou ongetwijfeld dolblij zijn als hij van haar af was, en Stephen was al wanhopig op zoek naar een manier om Mary Lou uit de kerk en uit zijn leven te laten verdwijnen. Ze zou hen toch alleen maar aan hun eigen teleurstellingen herinneren. Ze was geen goede vrouw, geen goede moeder, niet eens een goede minnares. Onder het rijden had ze gebeden om wijsheid. Haar handen waren gaan zweten toen ze had overwogen van een van de vele bruggen tussen Atlanta en Elawa af te rijden, maar ze was tot de conclusie gekomen dat het ongelooflijk egoïstisch zou zijn als ze met haar auto tegen een ander voertuig op knalde. In de loop van de daaropvolgende dagen had ze zich in het onderwerp zelfmoord verdiept, en ze had de mogelijkheden die ze tot haar beschikking had op dezelfde wijze afgewogen als toen ze het afgelopen najaar een nieuwe koelkast moest hebben en Consumer’s Digest had geraadpleegd. De beste manier, had ze besloten, was met een pistool, maar ze had niet genoeg geld om er een te kopen, en bovendien was het in Elawa bijna even moeilijk om een pistool te kopen als om abortus te plegen. Ze wilden je vingerafdrukken hebben. Er was een wachttijd. Eigenlijk waren er zo veel obstakels dat Mary Lou zich was gaan afvragen of de mensen die brochures vol schreven over het feit dat Amerika met een noodvaart naar de bliksem ging, wel beseften dat al die zaken waartegen ze waarschuwden veel moeilijker uitvoerbaar waren dan ze dachten. Pillen zouden ongetwijfeld uitkomst bieden, maar ze wist niet hoe ze aan de juiste moest komen, en ze was bang dat William het door zou krijgen als ze het aan hem vroeg en ze haar misschien wel uit zijn eigen voorraad zou geven. Zelfs als ze geweten zou hebben hoe ze aan pillen moest komen, dan kostten illegale drugs ongetwijfeld heel veel geld, en na twee bezoekjes aan de dokter – de kliniek had contante betaling geëist – had Mary Lou niets meer over. Ze had nog wat valium uit de tijd dat Brian van haar scheidde, maar dat waren nog maar tien pilletjes, nauwelijks genoeg om het plan ten uitvoer te brengen. Ze had geen garage bij haar huis, anders zou ze de motor van haar auto wel hebben aangezet en de uitlaat de klus laten klaren. Slapend sterven leek haar de gemakkelijkste uitweg, maar misschien was die daarom wel zo moeilijk te realiseren. Het opensnijden van haar polsen leek haar een goed idee, maar toen ze een uurtje met die gedachte had gespeeld, had ze beseft dat William haar dan zou vinden en al het bloed zou zien. Ze maakte zich niet zozeer zorgen om de emotionele littekens die hij zou kunnen oplopen als hij zijn moeder dood in haar eigen bloed aantrof als om de mogelijkheid dat hij het lekker zou vinden en dat ze door een dergelijke daad de volgende Ted Bundy of Jeffrey Dahmer zou creëren. Weer had Mary Lou op het kruisje aan de armband gesabbeld, en weer had ze God gevraagd of Hij haar wilde laten zien hoe ze zichzelf van het leven kon beroven. Merkwaardig genoeg was Zijn teken verschenen in de vorm van een brochure. Er waren precies zeven dagen verstreken sinds ze die zwerver bijna had vermoord, en Mary Lou was nog niet helemaal de oude. Meestal gooide ze reclame meteen weg, maar om de een of andere reden was ze alles gaan lezen wat in de brievenbus van de kerk belandde, alsof haar leven ervan afhing. Ze had alle aanbiedingen, van Reader’s Digest tot hypotheekbanken, van voor naar achteren doorgenomen en de jeugdwerker ingeschreven voor een loterij met een hoofdprijs van een miljoen dollar (ook al wist ze dat als hij zou winnen de kerk geen stuiver van het geld te zien zou krijgen). Toen was ze op een felroze, dubbelgevouwen brochure gestuit. Bij het zien van de kleur had Mary Lou nattigheid moeten voelen, maar sinds haar reisje naar Atlanta was haar gevoel finaal afgestompt. Afwezig sloeg ze het document open en onmiddellijk werd haar blik naar de afbeelding van een opengevouwen kleerhanger getrokken. De punt zag zwart van de naar alle kanten uitwaaierende strepen, want in tegenstelling tot de kerk konden deze pro-abortusorganisaties zich uiteraard geen kleurenkopieën veroorloven. De kop luidde:
‘Moeten vrouwen weer hun toevlucht nemen tot achterkamertjespraktijken?’ Mary Lous mond was opengevallen en het natte bedeltje was tegen haar kin gekletst. Nu wist ze hoe Zijn antwoord luidde. Ze wist wat haar te doen stond. Het enige waar ze tijdens het hele proces van geschrokken was, was de pijn. Mary Lou had eigenlijk gemeend dat ze erboven verheven zou zijn, maar de pijn was zo intens geweest dat ze halverwege buiten bewustzijn was geraakt. Ze had geen idee hoe lang ze weg was geweest. Toen ze uiteindelijk weer was bijgekomen, was het buiten donker geweest, en Mary Lou had niet op de klok gekeken. Net als bij een splinter was het pijnlijker geweest de kleerhanger er uit te trekken dan hem erin te rammen. Ze bloedde, maar niet zo hevig als ze had verwacht. Het bloed was donker en stroperig, heel anders dan het bloed op de televisie, en daardoor minder echt. De hele nacht had ze krampen gehad, maar toch kwam het kind er niet uit. Waar ze nog het meest naar verlangde was slaap. Ze had zich afgevraagd of de reden waarom ze er niet in geslaagd was zichzelf te doden was dat God haar wilde laten leven, maar Mary Lou vond dat allang best. Er was maar één ding waaraan ze behoefte had, en dat was aan slaap. Aan rust. Er was een week voorbijgegaan en ze had al haar verlofdagen opgebruikt. Als het William al was opgevallen dat zijn moeder ziek was, dan zei hij er niets over. Aan de muziek die op volle sterkte uit zijn kamer knalde, hoorde ze of hij thuis was of wegging. Maar misschien had hij de stereo op een tijdklok aangesloten. Van haar zoon kreeg ze helemaal geen hoogte. Ze was weer gaan werken omdat het moest, niet omdat ze ertoe in staat was. Uit het vervullen van je plicht viel lering te trekken, dat wist ze, maar die eerste werkdag was zo zwaar geweest dat Mary Lou haar zelfmoordplannen weer in overweging had genomen. Ze voelde een ontsteking vanbinnen, als een smeulend vuur. Ze had niet genoeg bloed verloren. Ze had geen vingertjes of teentjes in de toiletpot gezien. Zo langzamerhand had er toch iets moeten komen, en als dat niet het geval was, dan kon dat alleen maar betekenen dat het er nog steeds zat, dat het nog steeds aan het wegrotten was in haar binnenste. Wat moest ze doen? In het ziekenhuis zouden ze met één oogopslag zien wat er aan de hand was. Ze kon niet naar haar eigen arts gaan, want hij was diaken van haar kerk. Er zat niets anders op dan naar zijn praktijk te bellen en te zeggen dat ze een voorhoofdsholteontsteking had, maar dat ze geen tijd had om een afspraak te maken. Gelukkig had de assistente een recept voor antibiotica laten schrijven zonder verder vragen te stellen. Mary Lou wist echter niet zeker of de pillen werkten. Dat was zo lastig met antibiotica. Je had bepaalde soorten voor bepaalde ontstekingen. Was een voorhoofdsholteontsteking hetzelfde als de ontsteking die in haar onderbuik woedde? Zou deze langzame, rottende ziekte dan uiteindelijk haar dood betekenen? Had ze dat alles moeten doorstaan, haar gezin beschaamd, haar God beschaamd, haar naaste begeerd, doodzonden begaan, allemaal voor niets? Ze had zielsgraag willen bidden, met God willen praten en Hem nogmaals om hulp willen vragen, maar haar geest had geweigerd. Zelfs toen ze de armband als een sacrament in haar mond had genomen, bleven gedachten uit. Ze had overwogen zich hardop tot de Heer te richten en de kritieke situatie waarin ze zich bevond op te biechten, maar stel je voor dat iemand het hoorde. Stel je voor dat Stephen Riddle haar biecht opving en haar vanaf de kansel verloochende. Of dat de hele kerk erachter kwam wat ze had gedaan en haar uitstootte. Ze zou de paar vrienden die ze nog had verliezen, en William zou haar ontnomen worden. Ze zou niets meer hebben, niet eens een plek om God te eren. Heel geleidelijk had ze zichzelf voelen vervagen uit het leven dat ze altijd had gekend. Na jaren van mislukte diëten was ze opeens afgevallen. Eten smaakte haar niet meer. Ze las niet meer, ze keek geen tv meer. Toen de school William schorste, had ze nauwelijks de kracht om haar schouders op te halen. Toen Brian haar vertelde dat hij niet in staat was zijn helft van de hypotheek te betalen, had ze zonder nog een woord te zeggen simpelweg opgehangen.